2026.0125 – Leven In Het Licht Van Visie En Victorie
Daniel #13
Daniel 7:15-28
[CC Haarlemmermeer, 25 januari 2026]
Alle Schriftreferenties zijn genomen van de Herziene Statenvertaling (HSV), tenzij anders aangegeven
INTRODUCTIE
Sla alsjeblieft je Bijbel open naar Daniël hoofdstuk zeven. We gaan vandaag naar de tweede helft hiervan kijken, en deze is zeker niet minder spannend of complex dan onze verzen van vorige week. De uitdaging staat dus ook vandaag om er mee om te gaan op een manier zodat we er op maandagochtend ook praktisch aan hebben.
Ik zat een tijdje geleden met een broeder aan tafel voor een goed gesprek, en deze broeder houdt enorm van lang wandelen en liet vol enthousiasme zien hoe hij zijn wandelroutes op de kaart uitstippelde en waar de volgende wandelingen naar toe zullen gaan. Ik moest hier aan denken bij deze verzen van vandaag, want Daniël vraagt om meer details en meer inzicht, en hij ontvangt van God als het ware een gedetailleerde kaart van de toekomst, met de hele route uitgestippeld voor het volk Israël. Hij kan de hele route zien. Sommige delen van de route lijken angstaanjagend. Sommige delen van de route lijken onmogelijk. Maar Daniël kan met vertrouwen in geloof wandelen, want hij weet waar de reis eindigt en dat de Gids hen daar zal brengen.
Net als Daniël bevinden wij ons ergens op de route van deze kaart. Hij meer aan het begin en wij meer aan het eind, maar de uitdaging is voor ons niet anders. Namelijk, hoe trouw te leven tussen de visie en de victorie, en niet te wandelen in onwetendheid, maar het terrein achter ons en de aankomst voor ons wetend, in geloof wandelend terwijl we niet weten wat er precies achter elke bocht te vinden is, en welke donkere gedeelten we nog zullen tegenkomen.
Laten we bidden en stap voor stap de uitgestippelde route samen bekijken.
DE CONTEXT (15-18)
“15Ik, Daniël, was tot in het diepst van mijn geest geraakt, en de visioenen die mij voor ogen kwamen, verschrikten mij. 16Ik kwam in de nabijheid van een van hen die daar stonden, en vroeg hem naar de juiste betekenis van dit alles. Hij vertelde die mij en liet mij de uitleg van deze zaken weten: 17Die grote dieren, die vier in getal zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde zullen opstaan. 18De heiligen van de Allerhoogste zullen echter het koningschap ontvangen. Zij zullen het koningschap in bezit nemen tot in eeuwigheid, ja, tot in der eeuwen eeuwigheid.” (Dan. 7:15-18)
Daniël reageert op de visioenen die hij had gezien, en hij werd in het diepst van zijn geest geraakt en het verschrikte hem. Deze apocalyptische visioenen waren niet zomaar iets, maar deden echt iets met hem. Het is een natuurlijke reactie op zoiets bovennatuurlijks. Het is toegestaan ook voor ons om geschokt, geraakt, of verschrikt te zijn door wat we hier lezen en door Daniël heen zien. Openbaringen zoals dit kunnen overweldigend zijn, zowel in de complexiteit ervan als in de werkelijkheid die het laat zien. Ook Daniël begrijpt niet direct wat hij ziet en het raakt hem. We lezen dit ook aan het einde van dit hoofdstuk in vers 28, nadat hij de uitleg had gekregen en het gewicht ervan begon te bezinken, dat zijn gedachten hem verschrikten en zijn gelaatskleur veranderde.
Maar we zien ook twee anderen dingen die Daniël doet die ons ook kunnen helpen. Ten eerste dat in al zijn menselijke beperkingen om het te begrijpen en de emoties die daarbij komen, hij in vers 16 naar God toegaat om uitleg te vragen. Daniël stapt als het ware het visioen binnen naar waarschijnlijk engelen die daar aanwezig waren om hen te vragen “naar de juiste betekenis van dit alles”. Niet zomaar een betekenis, maar de juiste betekenis. Als we naar God komen in Zijn Woord dan komen we niet om er een willekeurige betekenis uit te halen die ons tegemoetkomt of geruststelt, maar we komen met de hartsgesteldheid om de juiste betekenis, de waarheid, van Hem te horen, ongeacht wat dit doet met onze gemoedstoestand, want Daniël was ook achteraf nog steeds geschrokken. Ten tweede zien we in vers 28 dat Daniël de uitleg ervan in zijn hart bewaarde. Ook al begreep hij het wellicht nog niet helemaal, schoof hij het niet aan de kant of legde hij het naast zich neer, maar maakte hij zich Gods beloften hier eigen door het in zijn hart te bewaren, en er op te kauwen en mediteren en reflecteren in afwachting van Gods timing voor de vervulling van al deze dingen. Het laat ons mooi zien, en daagt ons uit, hoe ook wij mogen omgaan met dit soort complexe profetieën.
In vers 17-18 krijgt Daniël de hoogover uitleg van het geheel. De vier grote dieren zijn vier koningen, vier koninkrijken, die uit de aarde zullen opstaan. Dit spreekt vers 3 niet tegen waar het zegt dat de dieren juist uit de zee komen. In vers 3 spreekt het symbolisch in het visioen, echter hier in vers 17 geeft het de uitleg van waar deze koningen vandaan komen; namelijk het zijn aardse koninkrijken, namelijk Babylon, Medo-Perzië, Griekenland, en Rome; zoals vorige week besproken ook. Op het moment van dit visioen zit Daniël nog in het eerste koninkrijk, dus hij zal wellicht niet zo blij zijn geweest te horen dat er nog drie koninkrijken hierna zouden komen, dus ik ga er vanuit dat vers 18 een bemoediging voor hem moet zijn geweest.
De vraag is alleen: wie zijn de “heiligen van de Allerhoogste” die het koningschap ontvangen. Het is goed om te realiseren dat het woord ‘heiligen’ in de Bijbel niet altijd exclusief dezelfde groep mensen betreft, maar dat dit afhankelijk is van de context. Zo worden de engelen[1] ‘heiligen’ genoemd, maar ook nationaal Israël[2] of alleen het rechtvaardige Israël[3], of de gelovigen (Joden en heidenen) tijdens de Grote Verdrukking, of wij die het Lichaam van Christus zijn[4], of degene die tot geloof komen tijdens de Grote Verdrukking[5], of het collectief van Oude Testamentische heiligen, Gemeenteheiligen, en Verdrukkingsheiligen die nog steeds wel hun aparte identiteit behouden[6]. Het is hierin belangrijk dat we niet alles en iedereen op de grote hoop gooien, maar nauwkeurig zijn zoals het Woord nauwkeurig erover is. Dit voorkomt dat we Israël en de Gemeente door elkaar gaan halen, en de beloften die daarbij komen kijken.
Het spreekt hier namelijk niet van de Gemeente, want dat is een geheimenis niet onthuld in het Oude Testament[7] en zal zijn opgenomen voordat de zeven jaar verdrukking begint. Maar welke is het hier? Hier in vers 18 is het gelovig wedergeboren Israël dat aan het einde van de “tijden van de heidenen”[8] uit de Grote Verdrukking komen en het duizendjarig vrederijk binnengaat. Het zijn zij die onder het bewind van de Messias het koninkrijk erven en besturen. Dit lezen wij bijvoorbeeld in Mattheus 19:28, waar Jezus tegen Zijn discipelen zegt, “Voorwaar, Ik zeg u dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, als de Zoon des mensen zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, ook zult zitten op twaalf tronen en de twaalf stammen van Israël zult oordelen.”
Deze definitie van de ‘heiligen’ hier in vers 18 is consistent met hoe we deze door de rest van dit hoofdstuk verder zien in vers 21, 25, en 27. In vers 18 wordt de belofte van het einde gedaan, vervolgens zullen we in vers 21 zien dat de vervolging zal komen, in vers 25 dat ze tijdelijk overgegeven zullen worden, en in vers 27 dat ze, zoals beloofd in vers 18, het koninkrijk gegeven zal worden.
Aangezien dit niet over de Gemeente gaat, wat doen wij met verzen zoals hier vandaag? En dit is belang ook voor de verdere context van dit hoofdstuk. Zowel Israël als de Gemeente zullen regeren met Christus, maar met verschillende startpunten en verschillende doelen.
Voor Israël zal de regering beginnen bij de wederkomst van Christus na de Grote Verdrukking[9]. Israël zal dan worden hersteld als Gods verbondsvolk en zal functioneren als de verbondsbeheerders van Christus’ regering op aarde, regerend vanaf de troon van David in Jeruzalem[10]. Israël zal de aardse naties regeren tijdens het Duizendjarig Koninkrijk[11], en deze rol zal na het Millennium voortduren in het eeuwige koninkrijk, aangezien Gods beloften aan Israël eeuwigdurend zijn[12]. Voor de Gemeente begint de heerschappij positioneel bij de Opname, wanneer gelovigen worden opgewekt en verheerlijkt en formeel verenigd met Christus in gezag[13]. Het bewind van de Gemeente zal echter actief en publiekelijk beginnen, samen met het Duizendjarig Koninkrijk, wanneer Christus terugkeert en Zijn heerschappij op aarde vestigt[14]. Deze regering zal dan zonder einde voortduren in het eeuwige koninkrijk[15]. De Gemeente zal deze heerschappij vanuit de hemel uitvoeren in de zin van status, gezag en vereniging met Christus, en met Hem regeren als verheerlijkte mederegenten, omdat gelovigen in Zijn gezag delen door hun vereniging met Hem[16]. Dit betekent niet dat de Gemeente losstaat van de aarde, maar dat haar heerschappij hemels van oorsprong en aard is, net zoals Christus vanuit Jeruzalem over de aarde regeert[17].
Op deze manier is er een aanzienlijke overlap tussen Israël en de Gemeente in de tijdlijn van het bestuur, vooral tijdens het Millennium en daarna. Toch is er ook een duidelijk onderscheid in rol, sfeer en bestuur. Israël vervult haar aardse, verbondsroeping, terwijl de Gemeente haar hemelse roeping vervult in vereniging met Christus[18]. Deze verschillen zijn van cruciaal belang, omdat ze aantonen dat de Gemeente Israël niet heeft vervangen[19], dat de oudtestamentische beloften en profetieën niet zijn uitgeput of geestelijk door de Gemeente zijn opgenomen[20], en dat de Gemeente momenteel niet aan het Koninkrijk van God op aarde bouwt[21]. In plaats daarvan is het Koninkrijk toekomstig, ingewijd door Christus Zelf bij Zijn wederkomst[22]. Daarom beschermt dit ons tegen vervangingstheologie, vervullingstheologie en Dominion/“Kingdom Now”-theologie, die de Schrift allemaal niet leert[23].
Dus, hoe mogen wij als deel van de Gemeente hier tegen aankijken? Omdat onze regering met Christus nog toekomst is, worden wij nu simpelweg geroepen om trouw te dienen, te getuigen, en met Hem te lijden. Het is door deze dat we de liefde van Christus voor elkaar en voor de wereld laten zien, en waardoor de oproep en de uitnodiging uitgaat om deel te worden van dit komende Koninkrijk.
DE VISIE (19-25)
“19Toen wilde ik de ware betekenis weten van het vierde dier, dat verschilde van al de andere – uitzonderlijk schrikwekkend, zijn tanden waren van ijzer, zijn klauwen van brons, het at, verbrijzelde en de rest vertrapte het met zijn poten – 20en van de tien hoorns die op zijn kop zaten en van die andere, die oprees en waarvoor er drie afgevallen waren, namelijk die hoorn die ogen had en een mond vol grootspraak en waarvan de verschijning groter was dan die van zijn metgezellen. 21Ik had namelijk toegekeken en gezien dat die hoorn oorlog voerde tegen de heiligen en dat hij hen overwon, 22totdat de Oude van dagen kwam, de heiligen van de Allerhoogste recht verschaft werd en het tijdstip was bereikt dat de heiligen het koningschap in bezit namen. 23Hij zei het volgende: het vierde dier zal het vierde koninkrijk op aarde zijn, dat verschillen zal van al de andere koninkrijken. Het zal heel de aarde verslinden, het zal haar vertrappen en haar verbrijzelen. 24En de tien hoorns duiden aan dat uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan, en na hen zal een ander opstaan. Die zal verschillen van die er eerder geweest waren. Drie koningen zal hij vernederen. 25Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd.” (Dan. 7:19-25)
Daniël nam geen genoegen met wat hem verteld werd. Hij wilde meer begrijpen over het vierde beest. Waarom? Omdat hij had moeten toezien hoe het oorlog voerde tegen de heiligen en hen overwon. We zien hierin de hartsgesteldheid van Daniël om door te blijven vragen. Er is een vastberadenheid en een vasthoudendheid die we mogen hebben aangaande het Woord. Er wordt weleens gezegd dat de Bijbel ondiep genoeg is voor een kind om in het waden, maar diep genoeg voor een olifant om in te baden. Je kan het simpelweg lezen en begrijpen wat er staat, maar tegelijk is er een diepgang in te vinden die haar weerga niet kent. Laten we ons uitstrekken naar die diepgang! God zal ons zeker tegemoetkomen als we vastberaden en vasthoudend Hem blijven vragen ons door de Heilige Geest meer en meer inzicht te geven in Zijn Woord.
Wat we ook zien is dat Daniël benieuwd en geïnteresseerd is in het einde. Hij neemt genoegen met wat hem verteld over de eerste drie beesten, maar niet met het laatste vierde beest. Als ik een boek begin ben ik altijd zo benieuwd naar het einde, en het doet mij het boek sneller lezen om daar uit te komen. Ik weet van mensen die zelfs het laatste hoofdstuk van een boek eerst lezen voordat ze aan het boek beginnen. Een van mijn favoriete Bijbelleraren zei vaak om met het boek Openbaring te beginnen, want als je dit goed bestudeerd brengt het je naar elk ander boek in de Bijbel. Het is goed om benieuwd te zijn naar het einde, om interesse te hebben in hoe het afloopt. Eindtijdtheologie is complex, maar het forceert ons op een goede manier om echt diep na te denken over wat we geloven over God en Zijn plan. Dus laten we ook hierin als de Bereërs zijn, en het Woord met grote bereidwilligheid ontvangen, maar ook dagelijks de Schrift onderzoeken om te zien of het zo is[24], ook als het de eindtijd betreft.
Daniël vraagt naar dit vierde beest dat compleet anders is. Het had tien hoorns op zijn kop en terwijl Daniël er naar kijkt rees er een elfde hoorn op, die in vers 7 de kleine hoorn noemt, die vervolgens drie van de bestaande hoorns doet afvallen, en wiens verschijning groter wordt dan de andere hoorns. Het is die kleine hoorn die oorlog voert tegen de heiligen en hen overwon totdat God kwam en het tijdstip bereikt was voor de heiligen het koningschap in bezit te nemen. Wat een beeld zal dat voor Daniël geweest moeten zijn! Ik kan even geen film bedenken met een actiescene die spannender is.
Vanaf vers 23 krijgt Daniël de uitleg. Het vierde beest is het vierde koninkrijk dat zal komen. Dit is de laatste heidense wereldmacht dat zal opkomen, de herrijzenis van het Romeinse Rijk, de voeten en tenen van ijzer en leem[25] dat deels sterk en deels broos zal zijn. Velen denken dat dit het oostelijke deel van het Romeinse Rijk zal zijn. Dit Rijk zal zich over de hele aarde uitspreiden en het onderdanig maken. Uit dit Rijk zullen vervolgens tien koningen, de tien hoorns, opkomen die gelijktijdig zullen regeren. We mogen dit zien als een soort confederatie van politieke machten die het politieke raamwerk gaan vormen van dit laatste Rijk. Niemand weet wie dit zijn, want ze zullen uit een Rijk komen wat nog niet bestaat. Vervolgens zien we dat drie van deze tien onderworpen of afgezet worden om plaats te maken voor de laatste leider, de kleine hoorn. Dat drie van de tien machthebbers van dit laatste Rijk, dat de gehele aarde bestrijkt, worden afgezet dan is dat echt een drastische verschuiving en geeft duidelijk het verstorende aspect aan van deze laatste leider.
De kleine hoorn is de antichrist die over de zeven overgebleven koningen zal heersen, de laatste wereldheerser. Hij wordt hier gekarakteriseerd door zijn mond vol grootspraak, vol godslasterlijke uitspraken tegen God. Dit is waarvan Paulus in 2 Tessalonicenzen 2:4 zegt dat het de tegenstander is, “die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.” Hij zal de heiligen ten gronde richten. Hij zal oorlog tegen hen voeren, en overwinnen! Dit is in lijn met Openbaring 13:7 wat zegt, “En het beest werd macht gegeven om oorlog te voeren tegen de heiligen en om hen te overwinnen, en hem werd macht gegeven over elke stam, taal en volk.” Dit is een duidelijke indicatie dat het hier niet om de Gemeente gaat, want Jezus Zelf over de Gemeente in Mattheus 16:18, “de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.” Daniël is consistent in zijn bewoording, want het gaat hier om Israël.
Hoe moeten we dit alles zien in het grotere plaatje? Straks aan het einde van Daniël 9 zullen we zien dat het om een totale periode van zeven jaar gaat waarin in het midden[26] ervan, dus na 3,5 jaar iets plaatsvindt waardoor de tweede 3,5 jaar bekend zal staan als de Grote Verdrukking. Dit is waar Daniël 7:25 aan refereert als het zegt “zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd.” Een tijd, tijden en een halve tijd is samen 3,5 tijd[27]. Dit komt overeen met de 42 maanden[28] en 1260 dagen[29] benoemt in Openbaring. Dit is waarvan Jeremia 30:7 zegt, “Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden.” Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, voor Israël, niet voor de Gemeente.
Dit wordt nog eens benadrukt in Zacharia 13:8-9 waar staat, “8Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land twee derde ervan uitgeroeid zal worden en de geest zal geven, en een derde ervan zal overblijven. 9Ik zal dat derde deel in het vuur brengen en het louteren, zoals men zilver loutert. Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft. Het zal Mijn Naam aanroepen en Ík zal het verhoren. Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk; en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.” Tijdens de Grote Verdrukking, in de 3,5 jaar dat de antichrist regeert en hij de heiligen ten gronde zal richten, zal het zo zijn dat het de soevereine hand van God is die door middel van de antichrist, tweederde van Israël zal uitroeien en de één derde die overblijft zal louteren zodat ze Zijn Naam zullen aanroepen, wat Zijn wederkomst zal inluiden. De zeven jaar periode inclusief de Grote Verdrukking zijn er om dit moment te bewerkstelligen: dat Israël weer God als haar Heer aanroept, en Hij hen zal verhoren en zal komen en zal redden.
Daniël vraagt uitleg en krijgt het ook, in detail. Hij krijgt hier in detail te horen wat de toekomst van zijn volk Israël zal zijn en de enorme strijd dat het te wachten staat. Deze periode van zeven jaar inclusief de Grote Verdrukking zijn niet voor de Gemeente, maar voor Israël. Als je de reden waarom inziet, dan wordt er zoveel duidelijk betreffende de eindtijd, en wordt het ook duidelijk waarom de Opname van de Gemeente vóór deze periode zal zijn. Dit is niet alleen theologisch interessant, maar ook praktisch voor ons als deel van de Gemeente van grote waarde. Laat mij een aantal redenen noemen.
Ten eerste, de Grote Verdrukking wordt door Jezus in Mattheus 24:21 omschreven als een tijd “zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal.”. En we zien in onze verzen van vandaag dat ons niets wordt onthouden van hoe angstaanjagend deze periode zal zijn. Maar dat betekent ook dat de donkerste periode van de gehele wereldgeschiedenis zich zal ontvouwen onder Gods soevereiniteit. De antichrist komt niet onverwachts, grijpt niet zelfstandig de macht, en regeert niet voor onbepaalde tijd. God bepaalt de klok van het donkerste seizoen. Dat is goed nieuws voor ons, want als God in die tijd soeverein is, dan is Hij zeker soeverein over de chaos en instabiliteit die we ervaren in onze tijd, met alle vijandigheid die daar bij komt kijken. Dit betekent dat ons leven nooit volledig uit de hand loopt, maar dat deze waarheid ons vrijwaart van paniek of een angstig leven waarbij we een reactie hebben op elk groot nieuwsbericht. Omdat God soeverein is over onze gehele wereldgeschiedenis kunnen we zeker met vertrouwen in het midden ervan leven, en dus ook gehoorzamen als het iets kost, trouw blijven als het niet populair is, en vertrouwen als onze omstandigheden onduidelijk zijn.
Ten tweede, ongeacht de enorme intensiteit van wat er gaat komen zien we ook dat het kwaad afgebakend is door God. Het is “totdat de Oude van dagen kwam” en “voor een tijd, tijden en een halve tijd”. De antichrist zit aan de riem en die riem wordt stevig vastgehouden door God. Als God dit afbakent, dan mogen we zeggen dat Hij bij ons ook afbakent hoeveel beproevingen en lijden Hij toestaat in ons leven. Dat maakt ze daardoor niet makkelijker, maar het maakt ze wel afgemeten, tijdelijk, en met een doel. Met andere woorden, er is geen lijden in ons leven waar Hij niet van weet, geen ontbering dat niet begrenst is, en geen beproeving dat geen nut heeft. En dat zou ons standvastig moeten maken, want het betekent dat we kunnen volhouden niet omdat wij zo sterk zijn, maar omdat Hij zo trouw is en met ons is. We zien dit zo mooi terug in het leven van Jezus aangezien Zijn lijden perfect getimed was en perfect tot zijn doel kwam. Zijn leven, dood, en wederopstanding zijn het fundament waardoor we kunnen zeggen dat de beproevingen en het lijden in ons leven niet nutteloos zijn en niet zullen overwinnen. “55Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? […] 57Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.”[30]
Als laatste, Daniël geeft ons hier inzicht wanneer we uiteindelijk de antichrist mogen verwachten, en wanneer hij zal opstaan en zal regeren. Maar weet je, wij, als deel van de Gemeente, verwachten niet de antichrist, maar zoals Paulus in Titus 2:13 zegt, “wij verwachten de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker, Jezus Christus.” De Gemeente verwacht Jezus, kijkt uit naar Jezus, en dus naar een Opname aan het begin van dit hele eindspektakel. Plaats de Opname op welk ander punt dan aan het begin, en het zou betekenen dat wij, net als de wereld, op de antichrist wachten. Maar wij wachten niet in vrees, nee, wij wachten in afwachting op onze zalige hoop; wij staan te popelen op de verschijning van Jezus bij de Opname. En dat heeft praktische implicaties, want de vers 12 en 14 om dit vers heen roepen ons op om “de goddeloosheid en de wereldse begeerten te verloochenen en in deze tegenwoordige wereld bezonnen, rechtvaardig en godvruchtig te leven”[31] en ijverig te zijn in goede werken[32]. Dus deze zalige hoop geeft ons de motivatie en kracht om heilig te leven voor Hem totdat Hij komt, en dus te leven vanuit die hoop; niet alleen dat Jezus eerst voor ons komt, maar ook het laatste woord zal hebben.
DE VICTORIE (26-28)
“26Daarna zal het gerechtshof zitting houden: men zal hem zijn heerschappij ontnemen, hem verdelgen en volledig vernietigen. 27Maar het koningschap en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste. Zijn koninkrijk zal een eeuwig koninkrijk zijn, en alles wat heerschappij heeft, zal Hem eren en gehoorzamen. 28Hier is het einde van deze woorden. Wat mij, Daniël, betreft – mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn gelaatskleur veranderde. Deze woorden bewaarde ik echter in mijn hart.” (Dan. 7:26-28)
Als de Oude van dagen komt en de “tijd, tijden, en een halve tijd” voorbij zijn, dan zal Jezus terugkomen en de antichrist verslaan en vernietigen. We zien dit in Openbaring 19, en zien vervolgens aan de start van Openbaring 20 vers 27 in vervulling gaan in het Duizendjarig Koninkrijk, waarna een eeuwig Koninkrijk zal komen.
De zekerheid van hoe het einde van de geschiedenis zal zijn en de plek van de Gemeente in dit alles zet ons allereerst aan tot dankbaarheid voor de genade die Hij ons schenkt door ons te besparen van die komende toorn, “want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus”[33]. Tegelijk laten deze verzen de absolute noodzaak tot evangelisatie zien! Voor de wereld komt er een ongekende tijd van lijden en oordeel aan, en zonder Christus ben je ook zonder hoop. O Heer, laat dat mijn hart, ons hart, breken voor de mensen om ons heen en hen het enige Goede Nieuws vertellen dat er alleen hoop is in Jezus Christus. Laat net zoals het de gedachten van Daniël verschrikte en hem wit deed wegtrekken ons ook echt aangrijpen en aanzetten tot actie.
CONCLUSIE
Daniël heeft in deze verzen de kaart met de uitgestippelde route gekregen. Dit is niet om ons te beangstigen, maar om ons te vormen. We zijn niet geroepen om te vrezen wat komt, maar om te leven in het licht van deze visie en de victorie. De weg is bekend. De victorie is reeds ingehuldigd. Jezus komt er aan. Dus we wachten niet af, maar zijn vol verwachting. En in de tussentijd dienen we, hebben we lief, en getuigen we als trouwe ambassadeurs namens Jezus en smeken wij de wereld om ons heen om zich met God te verzoenen[34].
Dus als je nog niet verzoent bent met God door Jezus als je Redder aan te nemen, doe dit vandaag; doe het nu. Laat Hem ook voor jou de zalige hoop zijn waar je reikhalzend naar uit mag kijken, terwijl Hij je de kracht geeft om te leven in het licht van de visie en de victorie.
Laten we bidden.
[1] Bijv. Deut. 33:2; Job 5:1; Zech. 14:5; Mat. 25:31
[2] Bijv. Exo. 19:6; Deut. 33:3
[3] Bijv. Ps. 16:3; Ps. 97:10;
[4] Bijv. Rom. 1:7; 1 Cor. 1:2; Efe. 1:1; Fil. 1:1
[5] Bijv. Op. 13:7, 14:12; 16:6
[6] Bijv. Zach. 14:5; 1 Tess. 3:13; Jud. 14; Op. 20:6
[7] Efe. 3:3-6
[8] Lk. 21:24
[9] Dan. 7:21–22; Dan. 7:25–27; Matt. 24:29–30
[10] Lk. 1:32–33; Jes. 2:2–4; Zach. 14:9, 16–17
[11] Jes. 60:1–12; Zach. 8:22–23; Matt. 19:28
[12] Dan. 7:18; Dan. 7:27; Jes. 66:22; Rom. 11:29
[13] 1 Tess. 4:16–17; 1 Kor. 15:51–53; Efe. 2:6; Rom. 8:17
[14] Op. 19:11-16, 20:4–6
[15] Op. 22:5
[16] Op. 3:21, 5:9–10; Kol. 3:1–4
[17] Dan. 7:13–14; Fil. 3:20–21
[18] Efe. 1:20–23; Heb. 3:1
[19] Rom. 11:1–2, 25–29
[20] Hand. 1:6–7; Lk. 21:24
[21] Joh. 18:36; 2 Tim. 2:12
[22] Matt. 25:31; Op. 11:15
[23] Zach. 14:3-9; Rom. 11:29; Op. 20:1–6
[24] Hand. 17:11
[25] Dan. 2:41-42
[26] Zie Mat. 24:15
[27] Zie ook Op. 12:14
[28] Op. 11:2, 13:5
[29] Op. 11:3, 12:6
[30] 1 Kor. 15:55, 57
[31] Tit. 2:12
[32] Tit. 2:14
[33] 1 Tess. 5:9
[34] 2 Kor. 5:20