2026.0308 – Hoop Beantwoord
Daniel #19
Daniel 9:20-24
[CC Haarlemmermeer, 8 maart 2026]
Alle Schriftreferenties zijn genomen van de Herziene Statenvertaling (HSV), tenzij anders aangegeven
INTRODUCTIE
Sla alstublieft je Bijbel open bij Daniël 9. We naderen de laatste vier verzen van dit hoofdstuk. Misschien vraag je je af wat daar zo bijzonder aan is — dat is begrijpelijk. Maar voor wie zich bezighoudt met Bijbelse profetie, vormen deze verzen als het ware het heilige der heiligen. Vers 24 tot en met 27 bevatten de profetie van de zeventig weken. Zonder te overdrijven, over deze vier verzen zouden we net zo lang kunnen spreken als over alles wat we tot nu toe in Daniël hebben behandeld. Het is tegelijk zo mooi, zo diepgaand en van zo’n belang. Deze vier verzen worden “de ruggengraat van de Bijbelse profetie”[1] genoemd. Een bijbelcommentator zegt[2], “De profetie van de zeventig weken is de chronologische sleutel tot alle profetieën in het Nieuwe Testament.” Een andere bijbelcommentator zegt[3], “Dit is waarschijnlijk de meest verbazingwekkende profetie in de hele Bijbel. […] Daniël 9 stelt je in staat om, alleen al op basis van het Oude Testament, te bewijzen dat Jezus de Messias is.”
Binnen onze Daniël-serie nemen we twee zondagen om de rest van dit hoofdstuk te behandelen. Vandaag kijken we naar vers 20 tot en met 24. Dat gedeelte vormt de overgang tussen Daniëls gebed en de laatste vier verzen. Je zou het kunnen zien als een vierde moment waarin het over gebed gaat. Tegelijk landen we als het ware in een climax bij vers 24, waar in vogelvlucht een overzicht wordt gegeven van de profetie van de zeventig weken. Volgende week zondag zoomen we verder in op de laatste drie verzen en staan we stil bij de details van deze verbazingwekkende profetie.
Toen ik naar de verzen van vandaag keek, moest ik denken aan een kind dat ’s nachts wakker wordt. De slaapkamer voelt anders in het donker. Het beetje licht dat binnenvalt werpt vreemde schaduwen, en in de stilte klinkt elk geluid harder. Het kind roept zacht om mama. Geen antwoord. Iets harder om papa. Nog steeds niets. En dan gebeurt er iets in het hart. Hebben ze mij gehoord? Slapen ze? Ben ik alleen? En hoe langer het stil blijft, hoe groter de angst wordt. Dit gebeurt niet alleen ’s nachts bij kinderen, maar ook bij ons. Wanneer het leven donker aanvoelt, omstandigheden blijven voortduren en gebeden onbeantwoord lijken, gaan we die stilte willen uitleggen. We kunnen gaan denken dat God niet luistert, of dat Hij onverschillig is. Misschien denken we zelfs dat het aan ons ligt — dat we te diep of te vaak hebben gefaald, of dat we geen antwoord verdienen. Dan worstelen we niet alleen met onze omstandigheden, maar ook met de vraag wat die stilte betekent.
In dit hoofdstuk bidt Daniël als het ware in een geestelijke nacht. Jeruzalem ligt in puin. De ballingschap duurt voort. De beloften lijken uitgesteld. Daniël belijdt, hij smeekt, hij vraagt om genade. En als we eerlijk zijn, zouden we misschien stilte verwachten. Maar laten we samen lezen wat er werkelijk gebeurt.
“20Terwijl ik nog sprak en bad, en belijdenis deed van mijn zonde en van de zonde van mijn volk Israël, en mijn smeekbede uitstortte voor het aangezicht van de HEERE, mijn God, omwille van de heilige berg van mijn God – 21terwijl ik mijn gebed nog uitsprak, kwam de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen gezien had, snel aangevlogen en raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer. 22Hij begon mij te onderwijzen en sprak met mij. Hij zei: Daniël, nu ben ik eropuit gegaan om u de betekenis te doen begrijpen. 23Bij het begin van uw smeekbeden is er een woord uitgegaan en nu ben ik zelf gekomen om u dat te vertellen, want u bent zeer gewenst. Begrijp dan dit woord en krijg inzicht in het visioen. 24Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.” (Dan. 9:20-24)
Laten we bidden.
GEBED GEHOORD (20-21)
“20Terwijl ik nog sprak en bad, en belijdenis deed van mijn zonde en van de zonde van mijn volk Israël, en mijn smeekbede uitstortte voor het aangezicht van de HEERE, mijn God, omwille van de heilige berg van mijn God – 21terwijl ik mijn gebed nog uitsprak, kwam de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen gezien had, snel aangevlogen en raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer.” (Dan. 9:20-21)
Onze verzen beginnen met het woord “terwijl.” Een voegwoord dat we vaak negatief gebruiken: “Het team verloor, terwijl ze beter speelden.” “Ze keek op haar mobieltje, terwijl de docent uitleg gaf.” “Ze liet de kaars branden, terwijl ze de kamer uitliep.” Maar hier is het anders. Hier is het genade. Terwijl Daniël bad voor Jeruzalem. Terwijl hij zonde beleed. Terwijl hij zijn smeekbede uitstortte… kwam Gabriël. Daniël was nog niet klaar. Hij had zijn “amen” nog niet uitgesproken. Zijn zichtbare omstandigheden waren onveranderd. En toch was er onzichtbaar al iets in beweging. God reageerde vóórdat Daniël uitgesproken was. Het antwoord was al begonnen, nog vóórdat het gebed voltooid was.
Vaak denken wij dat God overtuigd moet worden door ons gebed. Alsof het lang duurt voordat Hij luistert. Alsof Hij huiverig is om te antwoorden. Maar deze verzen laten precies het tegenovergestelde zien — en dat mag echt even bezinken. Allereerst: God hoeft niet overtuigd te worden. Hij is uit Zichzelf gewillig. Wij zetten met ons gebed niet iets in gang waardoor God eindelijk besluit te handelen. In vers 23 lezen we dat Gods woord al uitging toen Daniël begon te bidden. Niet pas erna. Niet pas na zijn belijdenis. Niet pas na zijn smeekbede. Daniëls gebed veranderde niets aan Gods bereidwilligheid. God aarzelde niet. Hij wachtte niet af hoe lang Daniël zou bidden, of hij de juiste woorden gebruikte, of zijn gebed intens genoeg was. Het was niet de kwaliteit van zijn formulering en ook niet de intensiteit van zijn worsteling die God tot actie bracht. Het antwoord stond van meet af aan vast. God was al gewillig. God nam Zelf het initiatief. Daniëls gebed was in overeenstemming met Gods wil — het vormde Gods wil niet. Wat een bevrijdende gedachte: Gods bereidheid hangt niet af van de kwaliteit van ons gebed. We hoeven Hem niet te overtuigen met mooie woorden. We hoeven Hem niet te overwinnen alsof het een krachtmeting is. Hij is al genadig en al bereid.
Ook laat dit zien dat het niet lang duurt voordat God luistert. Terwijl Daniël nog bidt, is het antwoord al onderweg. Wat zou het heerlijk zijn als dat altijd zo zichtbaar was in ons eigen gebedsleven. Misschien komt er bij ons geen engel het antwoord brengen. Maar dit laat wél zien dat God hoort. Dat je Zijn aandacht hebt. Dat Hij al in beweging is voordat je iets merkt. Terwijl Daniël bad, wist hij niet wat God achter de schermen deed. Toch was God al aan het werk. En dat is een diepe troost. Antwoord op gebed komt niet altijd direct. Hoe vaak komt dat wel niet voor in ons leven? We kijken naar de onveranderde situatie en concluderen dat er niets gebeurt. De relatie blijft gespannen. De diagnose is niet verbeterd. De baan is niet doorgegaan. De gewoonte is niet doorbroken. Soms komt het antwoord pas na jaren. Soms komt het antwoord op een heel andere manier dan we verwachten of hopen waardoor we het zelfs niet herkennen. Vaak zien wij niet dat God al bezig is. Dan gaan wij de stilte uitleggen: misschien is Hij teleurgesteld. Misschien is Hij afstandelijk. Misschien wacht Hij tot wij ons verbeterd hebben. Het kan ons zelfs ontmoedigen om te blijven bidden. Maar deze tekst leert ons: God is al in beweging. Op de achtergrond ontvouwt Hij Zijn plan en zet Hij de stukken op hun plaats. Dus raak niet ontmoedigd als het antwoord uitblijft. Vertrouw erop dat God je hoort — en dat Hij, ook nu, al aan het werk is.
God is ook niet terughoudend om te handelen. Gabriël komt snel aangevlogen. Dat ademt urgentie. Verlangen. Bereidheid van Gods kant om in te grijpen. Hij stuurt niet zomaar een boodschapper, maar een vooraanstaande engel. Hij komt in actie door Daniël te onderwijzen, door hem inzicht en begrip te geven. Daniël bidt over de zeventig jaar ballingschap. Dat is zijn focus. Dat is zijn nood. Maar God doet méér. Hij geeft niet zozeer antwoord op de vraag die Daniël stelt — Hij geeft antwoord op de diepere vraag achter zijn gebed. Daniël vraagt naar het einde van de ballingschap. God openbaart de volle tijdslijn van Israëls uiteindelijke herstel. In deze verzen zien we dat wij een God hebben Die al bereid is om te antwoorden — Hij hoeft niet overtuigd te worden. Een God Die Zelf het initiatief neemt. Een God Die luistert en al handelt lang voordat wij het doorhebben. Een God Die verder ziet dan onze woorden. Die de diepste verlangens van ons hart kent. En Die antwoord geeft — verder, rijker en groter dan wij durven vragen.
In Daniël 6:11 lezen we dat hij drie keer per dag op zijn knieën bad, met de vensters open naar Jeruzalem. Dit is geen toeval; het sluit aan bij een lang bestaand principe. Al vanaf de toewijding van Salomos tempel zien we dit terug: in 1 Koningen 8:29 bidt Salomo, “Laten Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan U hebt gezegd: Mijn Naam zal daar zijn, om te luisteren naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden.” De tempel was de plek van Gods aanwezigheid, de plek van waaruit Hij naar gebeden luisterde. Daniël had zich deze gewoonte eigen gemaakt en bleef zelfs na de verwoesting van Jeruzalem en de tempel trouw bidden richting de stad. Zelfs na bijna zeventig jaar ballingschap hield hij vast aan deze routine. Hij dacht nog in Joodse tijd, want hij koppelt de komst van Gabriël aan het tijdstip van het avondoffer, rond drie à vier uur in de middag. Het laat trouwens zien dat ondanks dat hij in de wereld was, hij niet van de wereld was.
Maar wij bidden niet naar Jeruzalem en volgen geen avondoffer. Hebreeën 7 leert ons dat Jezus onze grote hogepriester is, die altijd leeft om voor ons te pleiten. Hebreeën 9 laat zien dat Hij door Zijn offer eens en voor altijd de weg naar de Vader heeft vrijgemaakt. Daniël had een engel die werd gezonden als reactie op zijn gebed. Wij hebben de opgestane Zoon van God, die ons voortdurend vertegenwoordigt bij de Vader. Alles wat voor Daniël gold, geldt voor ons des te meer: dankzij Jezus aan de rechterhand van de Vader hebben wij Zijn aandacht, wordt er geluisterd naar ons gebed, en komt Hij in actie. Want dit is de God die wij hebben.
GENADE GEZONDEN (22-23)
“22Hij begon mij te onderwijzen en sprak met mij. Hij zei: Daniël, nu ben ik eropuit gegaan om u de betekenis te doen begrijpen. 23Bij het begin van uw smeekbeden is er een woord uitgegaan en nu ben ik zelf gekomen om u dat te vertellen, want u bent zeer gewenst. Begrijp dan dit woord en krijg inzicht in het visioen.” (Dan. 9:22-23)
In de vorige verzen zagen we dat God reageerde terwijl Daniël nog bad. Hier lezen we zelfs dat God al initieerde bij het begin ervan. Niet toen de belijdenis een bepaald niveau van oprechtheid had bereikt. Niet toen Daniël lekker op gang was. Niet toen hij klaar was met alles wat hij wilde zeggen. Maar aan het begin — toen hij zijn gezicht tot de Heere richtte om Hem te zoeken in gebed, met smeekbeden, vasten, zak en as. Dat zegt iets over Gods karakter. Hij reageert niet met tegenzin of terughoudendheid, maar met welbehagen wanneer wij Hem in nederigheid benaderen. “God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.”[4] In Lukas 18 is het de tollenaar die bidt: “O God, wees mij, de zondaar, genadig.” En Jezus zegt dat híj gerechtvaardigd naar huis ging. Onze houding in gebed doet ertoe. Nederigheid is de normale houding van fellowship met God, omdat het erkent wie Hij is — en wie wij zijn voor Hem. Zegt Psalm 51:19 niet: “De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.”? En zegt Jesaja 57:15 niet: “Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoge hemel en in het heilige, en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om levend te maken de geest van de nederigen, en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.”? Deze woorden laten zien hoe gewillig God is om te luisteren naar wie in geloof, in nederigheid en met een hart vol berouw tot Hem komt. En dat is precies het hart van Daniël. Hij komt niet met eisen, maar met smeekbeden. Niet met verdiensten, maar met afhankelijkheid. En juist daar ontmoet Gods genade hem.
Maar het gaat nog een stap verder. Gabriël vertelt waarom hij gestuurd is en zegt dat Daniël zeer gewenst is. Je zou ook kunnen zeggen: God beschouwt Daniël als een kostbare schat. Dit geldt persoonlijk voor Daniël, maar het spreekt ook in verbondstaal. In Deuteronomium 7:6 (NBV) staat: “Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd. U bent door hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn.” Petrus verwijst hiernaar in zijn eerste brief: “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte.” Net zoals Daniël zeer gewenst is en het volk Israël Zijn kostbaar bezit is, zo zijn ook wij die in Christus zijn, Zijn uitverkoren geslacht, Zijn eigendom, Zijn kostbare bezit.
Daniël wordt gehoord in zijn gebed omdat hij geliefd is door God. Wij worden gehoord in ons gebed omdat wij geliefd zijn door God. Dat verandert onze kijk op gebed. Het betekent dat ons gebed uiteindelijk niet rust op ons, maar op God — op Zijn liefde voor ons. Wat een genade. Dit hele hoofdstuk ademt belijdenis. Daniël zegt: “wij hebben gezondigd”, “wij hebben onrecht gedaan”, “wij hebben niet geluisterd.” Als Gods reactie zou afhangen van Daniëls perfectie, dan was er geen hoop. Ook niet voor ons. Maar “God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.”[5] In Christus alleen is er hoop. Door geloof in Hem zijn wij gerechtvaardigd, verzoend met God en hebben wij vrije toegang tot de Vader[6]. Het is omdat God ons liefheeft dat Hij ons hoort. Zijn barmhartigheid en genade kleuren Zijn antwoord. Daarom roemen wij in God door Christus als het gaat om gebed — niet in iets wat wij meebrengen. Het is Gods hart voor ons dat het verschil maakt. Wij komen slechts in geloof en nederigheid. En wanneer de Vader tegen Jezus zegt: “U bent Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb,”[7] dan mogen wij in Christus weten: dat woord van liefde rust ook op ons.
Gods antwoord komt in de vorm van Gabriël. Hij wordt gestuurd om Daniël te onderwijzen, hem inzicht te geven in het visioen. Dat grijpt terug op hoofdstuk 8, waar Daniël achterblijft met vragen. Daar begrijpt hij het visioen niet volledig, vooral niet als het gaat om de duur van Israëls lijden binnen Gods grotere tijdslijn. Nu komt het antwoord. Dat antwoord vinden we in de laatste vier verzen van dit hoofdstuk — de bekende profetie van de zeventig weken. Vandaag staan we alleen stil bij vers 24, waar in vogelvlucht een overzicht wordt gegeven. De verzen daarna werken het verder uit. Maar vers 24 is de climax. En zo moeten we het ook zien: als een hoogtepunt van openbaring, een samenvattende blik op Gods grote heilsplan. Voordat we naar vers 24 gaan, is dit belangrijk te zien: Gabriël werd gestuurd om Daniël helder inzicht en begrip te geven. Maar Daniël moest het woord wél zelf overdenken en het visioen begrijpen. Openbaring vraagt om overdenking. En diezelfde taak ligt nu bij ons. Ook wij worden geroepen deze vier verzen niet alleen te lezen, maar ze te doordenken. Om ze geestelijk te verwerken. Niet alleen de woorden te begrijpen, maar ook te zien wat ze betekenen binnen het grotere geheel — binnen het profetische perspectief van Gods heilsplan.
HOOP BEANTWOORD (24)
“24Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.” (Dan. 9:24)
Zoals ik aan het begin al zei: over dit vers — en de drie die volgende week volgen — zouden we maanden kunnen spreken en nog niet uitgepraat zijn. Dit vers geeft ons als het ware de samenvatting, de reikwijdte van deze profetie. Het schetst het grote kader. In de tijd die ons vandaag nog rest, wil ik een paar dingen hierover zeggen, zodat duidelijk wordt waar het hier precies om gaat.
Het wordt de profetie van de zeventig weken genoemd omdat er staat: “Zeventig weken zijn er bepaald…”. Daniël bidt in de context van de zeventig jaar ballingschap, en Gods antwoord spreekt over zeventig weken. Wij denken bij een week meestal aan zeven dagen. Dat zien we bijvoorbeeld in Exodus 20:11, waar staat dat de Heer in zes dagen hemel en aarde schiep en op de zevende dag rustte, de sabbat. Maar het letterlijke woord voor “weken” is simpelweg “zevens”[8], en dus kan een “week” ook een andere periode van zeven aanduiden. Er is bijvoorbeeld een week van weken, zoals bij het Wekenfeest in Leviticus 23. We zien ook een week van maanden, zoals bij het Trompettenfeest[9]. En er is een week van jaren. Denk bijvoorbeeld aan de zeventig jaar ballingschap, die samenhangen met 490 jaar waarin Israël het sabbatjaar niet had gehouden[10]. Of denk aan Genesis 29:27, waar Laban tegen Jakob zegt: “Maak de bruiloftsweek van deze dochter vol; daarna zullen wij je ook de andere geven, voor het werk waarmee je mij nog eens zeven jaar dienen zult.” In de context van deze profetie gaat het om een week van jaren. Dat betekent dat de zeventig weken samen 490 jaar beslaan.
Vervolgens lezen we dat deze zeventig weken bepaald zijn “over uw volk en uw heilige stad”. Gabriël spreekt hier tot Daniël — een Jood. Daarom gaat het hier duidelijk over Israël en Jeruzalem. Dat is de uitdrukkelijke context van deze profetie. Het gaat dus niet over de wereldgeschiedenis in het algemeen, en ook niet over de kerk. De kerk was in het Oude Testament nog een verborgenheid, een geheimenis dat toen nog niet was geopenbaard. Deze profetie richt zich specifiek op Israël en op Jeruzalem. Dat is waar de 490 jaar betrekking op heeft.
Gabriël zegt dat deze 490 jaar zijn vastgesteld om zes dingen te vervullen: “om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.” Met andere woorden: wanneer de 490 jaar voltooid zijn, zullen deze zes profetieën vervuld zijn. En omgekeerd geldt hetzelfde: pas wanneer deze zes profetieën vervuld zijn, zijn de 490 jaar werkelijk tot hun einde gekomen.
“De overtreding beëindigen” heeft te maken met een specifieke overtreding van Israël: de afwijzing van Jezus als de Messias[11]. “De zonden verzegelen” wijst op een einde aan zonde in het dagelijkse leven van de natie Israël. Dit moeten we zien in het licht van Gods verbond met Abraham en vooral van het Nieuwe Verbond. Daarover zegt Ezechiël 36:27: “Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.” “De ongerechtigheid verzoenen” verwijst naar het werk van Jezus aan het kruis en Zijn opstanding. Daar ligt het fundament: Jezus als de Messias en Redder. Door Zijn werk wordt verzoening mogelijk en wordt de weg geopend naar een leven waarin zonde niet langer de heerschappij heeft, omdat Hij aan het kruis met de zondige natuur heeft afgerekend.
Uit deze eerste drie vloeien de laatste drie voort. “Een eeuwige gerechtigheid tot stand brengen” betekent dat door en in Israël als natie het Koninkrijk van God op aarde gevestigd zal worden — het duizendjarig koninkrijk. Daarover lezen we bijvoorbeeld in Jesaja 9:6: “Aan de uitbreiding van deze heerschappij en aan de vrede zal geen einde komen op de troon van David en over zijn koninkrijk, om het te grondvesten en het te ondersteunen door recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid.” Daar bidden we ook om in het Onze Vader: “Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op de aarde.”[12] “Visioen en profeet verzegelen” betekent letterlijk dat visioen en profetie volledig tot vervulling worden gebracht. Het duidt op het einde van alle profetie, zowel mondeling als schriftelijk, omdat alles wat geprofeteerd is dan vervuld zal zijn. Na de zeventigste week is Gods profetische programma voltooid. Er volgt nog wel de eeuwigheid na het duizendjarig koninkrijk, maar dat wordt pas in het Nieuwe Testament verder geopenbaard. In het Oude Testament reikt de profetische blik tot het Messiaanse koninkrijk — en daarmee is alles vervuld.
Ten slotte: “de Heiligheid van heiligheden zalven.” Dat wijst op een volledig functionerende tempel in het duizendjarig koninkrijk, waarover Ezechiël 40-48 uitgebreid spreekt. Dit is niet de tempel van Salomo, die door Nebukadnezar werd verwoest. Het is ook niet de tempel die na de ballingschap door Zerubbabel werd gebouwd en die in 70 na Christus door de Romeinen werd vernietigd. En het is ook niet de tempel uit de tijd van de grote verdrukking, die door de antichrist zal worden gebruikt voor de gruwel van de verwoesting en uiteindelijk zal verdwijnen bij het oordeel van de zeven schalen in Openbaring 16. Het gaat hier om de tempel van het Messiaanse Koninkrijk.
Daniël dacht dat de ballingschap het grootste probleem was. Hij dacht dat Babel de grootste tegenstander was. Hij dacht dat de gebroken muren van Jeruzalem de diepste tragedie vormden. En hij dacht dat alles opgelost zou zijn zodra de zeventig jaar ballingschap voorbij waren. Maar God laat zien dat het veel dieper gaat. Het grootste probleem is niet ballingschap, maar zonde. En de diepste tragedie is niet een verwoeste stad, maar een verbroken gemeenschap met God. God antwoordt Daniël daarom op een veel diepere laag — en tegelijk met hoop. Hij laat zien dat de geschiedenis niet doelloos ronddrijft. Er is richting. Er is een vast besluit. Er is een tijdlijn. En er is een uitkomst. De zonde zal niet overwinnen. De ballingschap zal de toekomst niet bepalen. Het verhaal beweegt zich naar gerechtigheid. Israël is als het ware Gods uurwerk, en de wereldgeschiedenis beweegt zich daaromheen. En daarin zien we iets moois: de hoop van Israël is ook onze hoop. De oplossing die God voor Israël geeft, is uiteindelijk ook de oplossing voor ons.
Het hart van vers 24 ligt in de derde profetie: het verzoenen van de ongerechtigheid. Dat is het fundament. Het maakt de eerste twee mogelijk en het opent de weg voor de laatste drie. Voor Daniël lag dat nog in de toekomst, maar niet voor ons. Dat Jezus, de vleesgeworden God, als mens kwam en zondeloos onder ons leefde, is een voldongen feit. Dat Hij aan het kruis stierf om voor onze zonden te betalen, is een voldongen feit. Dat Hij drie dagen later opstond uit de dood en nu aan de rechterhand van de Vader zit om voor ons te pleiten, is een voldongen feit. En dat Hij terug zal komen om ons voor altijd bij Zich te nemen, is een voldongen feit.
Jezus is het hart van Gods reddingsplan — voor Israël én voor de wereld. Zijn komst, leven, dood en opstanding zijn het onomstotelijke bewijs dat God doet wat Hij zegt en zegt wat Hij doet. De beloften van God zijn betrouwbaar, zowel voor Israël als voor ons. Ongerechtigheid is verzoend in Jezus. Er komt een beslissende afhandeling van alle zonde. Er komt een ultieme verzoening van alle ongerechtigheid. Er zal eeuwige gerechtigheid tot stand komen. Alles wat God heeft beloofd, zal vervuld worden. En ware aanbidding, in de glorieuze heerlijkheid van Gods eeuwige aanwezigheid, zal worden hersteld.
Hoop is geen fragiele verwachting of een verlangen naar iets dat misschien zal gebeuren. Nee, hoop is vast en zeker. Ferm verankerd in Gods onveranderlijke karakter en in de absolute waarheid van wie Jezus is en wat Hij voor ons aan het kruis heeft gedaan. Dus terwijl we wachten op de ultieme vervulling van vers 24, mogen we tegelijkertijd volop genieten van de zegeningen die we nu al ontvangen door te geloven in het bloed van Jezus. Onze zonden zijn ons al vergeven. Door Zijn opstanding hebben wij nu al nieuw leven in Hem. Door Zijn Heilige Geest mogen wij nu al de Heer kennen en wandelen in Zijn verordeningen en bepalingen. De tempel is nu al aanwezig in ons lichaam, waardoor wij in Zijn heerlijkheid mogen verblijven en Hem kunnen aanbidden in geest en waarheid[13].
Gods woord aan Daniël door Gabriël is hoop die werkelijkheid maakt — voor Israël én voor ieder van ons. Het is zo onomstotelijk dat er geen ruimte is voor twijfel. Twijfel dus niet aan de beloften van God. Twijfel niet aan wie Jezus is en wat Hij aan het kruis voor jou en mij heeft bewerkt. Twijfel niet aan Zijn opstanding uit de dood. Twijfel niet aan de vervulling van alles wat nog komen gaat. Deze profetie laat daar geen enkele ruimte voor. Geloof nu. Kies vandaag voor Jezus. Kies vandaag om met God verzoend te worden, door Jezus als je enige Redder aan te nemen.
Laten we bidden.
[1] “It is the backbone of biblical prophecy.” ~ John F. Walvoord (Daniel: The Key to Prophetic Revelation)
[2] “The prophecy of the seventy weeks is the chronological key to all New Testament prophecy.” ~ J. Dwight Pentecost (Things to Come)
[3] “This is probably the most astonishing prophecy in the entire Bible […] Daniel 9 enables you to prove that Jesus is the Messiah from the Old Testament alone.” ~ Chuck Missler (Learn the Bible in 24 Hours)
[4] Jak. 4:6
[5] Rom. 5:8
[6] Rom. 5:1-2,11
[7] Mk. 1:11
[8] “One of the greatest tragedies in biblical interpretation is that the word has been translated here as weeks. This would require the Hebrew word shavuot. But the word used here is shavuim which does not mean weeks, but simply means “sevens.” ~ Arnold G. Fruchtenbaum, The Footsteps of the Messiah : A Study of the Sequence of Prophetic Events, Rev. ed. (Tustin, CA: Ariel Ministries, 2003), 188.
[9] Lev. 23:24
[10] 2 Kro. 36:21; Lev. 25:3-4; Lev. 36:34-35; Jer. 25:11-12; Jer. 29:10
[11] Jes. 53:1-9; Zach. 12:10-13:1
[12] Mat. 6:10
[13] 1 Kor. 6:19; Joh. 4:24