2026.0315 –Rust In Gods Tijd
Daniel #20
Daniel 9:25-27
[CC Haarlemmermeer, 15 maart 2026]
Alle Schriftreferenties zijn genomen van de Herziene Statenvertaling (HSV), tenzij anders aangegeven
INTRODUCTIE
Sla alsjeblieft je Bijbel open naar Daniël hoofdstuk 9. Vorige week zijn we geëindigd bij vers 24. Dat vers geeft eigenlijk een soort overzicht, een samenvatting van de hele zeventig weken profetie. We hebben toen gezien dat die zeventig weken samen een periode van 490 jaar vormen en dat het heel specifiek over Israël en over Jeruzalem gaat. Binnen die periode van 490 jaar moeten er zes dingen gebeuren. Zes profetieën die vervuld moeten worden, en die allemaal te maken hebben met het geestelijke en politieke herstel van Israël.
Ten eerste zal Israël Jezus Christus erkennen als hun Messias. Ten tweede komt er een einde aan zonde in het dagelijkse leven. Ten derde zal er verzoening zijn met God, door het werk van Jezus Christus aan het kruis en door Zijn opstanding. Ten vierde zal in en door Israël het duizendjarig vrederijk worden gevestigd op aarde. Ten vijfde zal Gods hele profetische plan volledig tot vervulling komen. En ten zesde zal er weer een tempel zijn die volledig functioneert. Wanneer die 490 jaar voorbij zijn, zullen deze zes profetieën vervuld zijn. En pas wanneer al deze profetieën vervuld zijn, kunnen we zeggen dat die 490 jaar tot een einde zijn gekomen.
Vandaag gaan we dit hoofdstuk verder afmaken en kijken naar de rest van de profetie van de zeventig weken. Het gaat om drie verzen die best veel details bevatten en ook niet eenvoudig zijn. Maar als we het heel kort samenvatten, dan gebeurt het volgende. Vers 25 laat ons het startpunt van de profetie zien en beschrijft ook het eerste tijdsbestek. Vers 26 vertelt vervolgens wat er gebeurt rond en na de negenenzestigste week. En vers 27 beschrijft de zeventigste week: wat die week in gang zet, wat er in het midden van die week gebeurt, en hoe die uiteindelijk tot een einde komt.
Het uitleggen van deze drie verzen is voor een groot deel best een technische, theoretische en theologische zaak. Daarom is het goed om meteen aan het begin duidelijk te maken wat dit voor ons praktisch betekent. Het wordt wel eens gezegd dat het hart niet kan liefhebben wat het verstand niet kent. Passages zoals deze dagen ons niet alleen uit om te denken en te begrijpen wat God ons wil laten zien, maar ze dagen ons ook uit in hoe ons hart erdoor gevormd kan worden – met als resultaat een diepere liefde voor God.
Een van de dingen die we in deze verzen gaan zien, is hoe enorm nauwkeurig en precies God Zijn plan uitwerkt en uitvoert. Hier gebeurt dat in de context van Israël, maar Zijn onveranderlijke karakter geldt net zo goed in alle facetten van ons leven. Denk deze ochtend eens na in je hart: hoe laat Gods nauwkeurigheid en precisie zich zien in de keuzes die jij elke dag maakt?
Laten we met dit in gedachten de verzen lezen, en voor het geheel neem ik ook vers 24 mee.
“24Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. 25U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden. 26Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. 27Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.” (Dan. 9:24-27)
Laten we bidden.
69 WEKEN (25)
“25U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden.” (Dan. 9:25)
De uitleg van de profetie van de zeventig weken begint met twee woorden in de gebiedende wijs. We worden niet alleen opgeroepen om te weten en bewust te zijn, maar ook om te begrijpen en te onderscheiden wat hier staat. En dat is geen makkelijke opdracht, want deze en de volgende verzen zijn bijna als een raadsel opgeschreven, een mysterie dat stukje bij beetje ontward moet worden. We moeten er eigenlijk als Sherlock Holmes naar kijken: elk detail nauwkeurig bekijken, goed letten op de aanwijzingen, zodat we langzaam het geheel kunnen ontrafelen.
De zinsbouw van de HSV loopt niet altijd even soepel, wat het begrijpen niet makkelijker maakt. Daarom hier een letterlijke vertaling die iets vloeiender loopt: “Weet en begrijp vanaf het uitgaan van het bevel om Jeruzalem te herstellen en te bouwen, tot de gezalfde vorst: zeven weken en tweeënzestig weken; het zal worden herbouwd, straat en gracht, zelfs in een tijd van nood.” We zien in dit vers drie dingen: een startpunt, een eindpunt, en een hint die we nodig hebben om het startpunt duidelijk te maken.
Het startpunt van de zeventig weken is het uitgaan van het bevel om Jeruzalem te herstellen en te bouwen. Hierbij ligt de nadruk vooral op het herstellen van de straten en grachten – eigenlijk de vestingwerken – en dat alles zal gebeuren in een tijd van grote nood. Maar wat betekent dit precies? Over welk bevel hebben we het hier? Er zijn een aantal bevelen uitgegaan die te maken hebben met de herbouw van Jeruzalem. In Ezra 1 (vers 2-4) lezen we het bevel van Kores, de koning van Perzië, om een huis in Jeruzalem te bouwen. In Ezra 6 (vers 3, 8, 12) vinden we het bevel van Darius om het huis van God in Jeruzalem te herbouwen. In Ezra 7 (vers 11-26) gaat het over de brief van koning Arthahsasta aan Ezra, met de officiële opdracht om terug te gaan naar Jeruzalem om de eredienst te herstellen, de wet van Mozes te handhaven en het religieuze leven van het Joodse volk te organiseren. En in Nehemia 2 (vers 5-8, 17-18) lezen we het bevel van koning Arthahsasta om Jeruzalem opnieuw op te bouwen. Zonder de hint dat het over de stad en de vestingwerken gaat en dat de herbouw in benauwde tijden zullen plaatsvinden, zou het herbouwen van Jeruzalem van alles kunnen betekenen, en zouden eigenlijk alle vier de bevelen een optie zijn. Maar met die aanwijzing blijft er één over: het bevel van Nehemia, gericht op het herbouwen van de stadsmuren en de bescherming van Jeruzalem wat in Nehemia 4 gepaard ging met veel tegenwerking van de Samaritanen. De andere drie hebben allemaal te maken met de tempel. Nu weten we dat het startpunt van de profetie de dag is waarop dit bevel van Arthahsasta uitging, wat bijna honderd jaar later is van wanneer Daniël deze uitleg kreeg.
Vervolgens lezen we over het eindpunt: “tot op Messias, de Vorst”, of “tot de gezalfde vorst.” Dat betekent niet alleen tot het moment dat de Messias zou komen, maar specifiek tot het moment dat Hij Zich als Vorst zou presenteren. En dat gebeurde maar op één heel specifiek moment. Door de evangeliën heen zien we verschillende momenten waarop mensen Jezus als de Messias, als Koning, willen uitroepen. Maar telkens wanneer dat gebeurt, reageert Jezus terughoudend. Of Hij zegt dat ze tegen niemand moeten vertellen dat Hij de Christus is[1], of Hij zegt dat Zijn tijd nog niet gekomen is[2]. Echter er was één dag waarop Hij het niet alleen toestond, maar het zelfs Zelf organiseerde. Die dag kennen wij als Palmzondag, de intocht in Jeruzalem. Jezus zond twee discipelen vooruit om een jonge ezel te halen die klaarstond, een ezel waar nog nooit iemand op had gezeten. Toen Hij daarop Jeruzalem binnenreed, stond Hij toe dat de menigte hun kleren en palmtakken op de weg neerlegde. En zij riepen: “Hosanna, de Zoon van David! Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere! Hosanna, in de hoogste hemelen!”[3], refererend aan Psalm 118, een psalm van dankzegging voor hoe God Zijn volk redt met vervolgens een zegevierende intocht naar de tempel.
Het is precies op deze dag dat Jezus dit zelf organiseert en zo de profetie uit Zacharia 9:9 vervult, waar staat, “Verheug u zeer, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.” Wanneer wij zulke gebeurtenissen lezen, kunnen wij als heidenen soms niet meteen de volle betekenis ervan zien. Maar gelukkig kunnen we in de evangeliën vaak rekenen op de Farizeeën om ons een beetje te helpen. Want als de Farizeeën boos worden, is dat meestal een goede aanwijzing dat er iets heel belangrijks gebeurt. Toen Jezus zo Jeruzalem binnenkwam en de menigte Hem toezong, zeiden de Farizeeën tegen Hem: “Meester, bestraf Uw discipelen”[4]. Zij begrepen namelijk precies wat hier gebeurde: de menigte ontving Jezus als de Messias, de Zoon van God, de komende Koning.
We weten dus wat het startpunt is van de zeventig weken: de dag waarop het bevel van Arthahsasta uitging naar Nehemia om Jeruzalem en haar stadsmuur te herbouwen. Vervolgens lezen we dat vanaf die dag tot aan de dag waarop Jezus op een ezel Jeruzalem binnenkomt, er zeven weken en tweeënzestig weken zullen zijn. Waarom deze periode wordt opgesplitst, is niet helemaal duidelijk. Men denkt dat na die eerste zeven weken de herbouw van Jeruzalem voltooid was. In dat geval laat deze opsplitsing als het ware een dubbel herstel zien: eerst het herstel van Jeruzalem zelf, en daarna het grotere herstel dat komt met de komst van de Messias. Maar wat hier vooral belangrijk is, is dat er tussen deze twee gebeurtenissen in totaal negenenzestig weken liggen. En dan komt natuurlijk de logische vraag: klopt dat ook?
Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst iets begrijpen over hoe de Bijbel met jaren rekent. In profetische context wordt namelijk gerekend met jaren van 360 dagen. Dat zien we onder andere op twee plaatsen in de Schrift. Ten eerste in Genesis 7 en 8. Daar lezen we dat de zondvloed begon op de zeventiende dag van de tweede maand. Vervolgens staat er dat het water honderdvijftig dagen de overhand had, waarna het begon te zakken, zodat de ark op de zeventiende dag van de zevende maand tot stilstand kwam. Dat is een periode van precies vijf maanden, maar die vijf maanden zijn samen honderdvijftig dagen. Dat betekent dus dertig dagen per maand, en daarmee een jaar van driehonderdzestig dagen. We zien hetzelfde principe ook in Openbaring 11. Daar staat dat de heidenen Jeruzalem tweeënveertig maanden zullen vertrappen, terwijl God in diezelfde periode twee getuigen macht geeft om twaalfhonderdzestig dagen te profeteren. Tweeënveertig maanden die gelijkstaan aan twaalfhonderdzestig dagen betekent opnieuw dertig dagen per maand, en dus een jaar van driehonderdzestig dagen. Dat betekent dat negenenzestig weken, keer zeven jaar per week, keer driehonderdzestig dagen per jaar, uitkomt op een totaal van 173.880 dagen. Men heeft de exacte dag waarop het bevel van Arthahsasta uitging en de exacte dag waarop Jezus op een ezel Jeruzalem binnenkwam kunnen achterhalen, en als je vervolgens rekening houdt met schrikkeljaren en met de overgang van een jaartelling vóór Christus naar na Christus, blijkt dat er tussen deze twee gebeurtenissen precies 173.880 dagen liggen.
God openbaarde aan Daniel tot op de dag nauwkeurig wanneer Jezus Zich zou presenteren als de Messias, de Koning. Daarom stond Jezus op geen enkel ander moment toe dat men Hem publiekelijk als zodanig bekendmaakte. Maar op die ene dag gebeurde het wel. En toen de Farizeeën, de geestelijke leiders van Israël, Hem op die dag niet wilden erkennen als de Messias en Koning, weende Jezus over Jeruzalem. In Lukas 19:42 zegt Hij: “Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient! Nu echter is het verborgen voor uw ogen.” Jezus hield hen verantwoordelijk voor het feit dat zij juist die dag niet onderkenden — een dag die zij op basis van de profetie van de zeventig weken in Daniel 9 hadden kunnen kennen. Het volk zong niet voor niets uit Psalm 118. Daar staat in vers 24: “Dit is de dag die de HEERE gemaakt heeft, laten wij op deze dag ons verheugen en verblijd zijn.” Dat was de dag waarover dit vers spreekt. Dat was de dag die de leiders hadden moeten herkennen. Maar in plaats van erkenning volgt nu het oordeel.
Wees onder de indruk van de enorme nauwkeurigheid, precisie en betrouwbaarheid van God. We mogen erop vertrouwen dat hetzelfde onveranderlijke karakter dat zo precies te werk gaat in profetie, ook in ons leven zo werkt. En dat zou ons rust moeten geven. Rust, omdat we weten dat we God kunnen vertrouwen, ook als dingen vanuit ons perspectief vertraagd lijken. Rust, omdat we ons mogen afstemmen op Zijn timing en Zijn wijsheid in het ontvouwen van Zijn plannen. Rust, omdat dit ons vrede, kracht en moed geeft in tijden van onzekerheid, wetende dat Zijn zorg even nauwkeurig is als Zijn planning. Rust, omdat we in actief geloof mogen wachten op Zijn perfecte timing voor alles, en te midden daarvan Hem alle lof en eer mogen geven.
DE INTERVAL EN LAATSTE WEEK (26-27)
“26Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. 27Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.” (Dan. 9:26-27)
Na deze tweeënzestig weken, oftewel na in totaal negenenzestig weken, volgen twee belangrijke gebeurtenissen. Het eerste is dat de Messias uitgeroeid zal worden. Letterlijk staat er dat de Messias “afgesneden” zal worden. Dit woord afgesneden wordt op verschillende manieren gebruikt in de Schrift. Bijvoorbeeld in Exodus 29:9, waar bij de inwijding de priesters “afgesneden” worden van het gewone leven – een symbolisch gebruik. Maar het kan ook letterlijk een gewelddadige dood betekenen. In 1 Samuel 15:33 wordt koning Agag in stukken gehakt, en in Jesaja 53:8 staat: “Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden. Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.” Hier wordt duidelijk verwezen naar de kruisiging van Jezus, een gewelddadige en onterende dood, maar ook een vervulling van deze profetie in Daniël.
Het tweede is dat Jeruzalem en de tempel verwoest zullen worden door het volk van een komende vorst, en dat deze verwoesting zal komen door geweld en oorlog. In het jaar 66 na Christus brak de Joodse opstand tegen Rome uit. Een jaar later werd Titus, de zoon van de keizer, aangesteld om het conflict te beëindigen. In 70 na Christus belegerden de Romeinen uiteindelijk Jeruzalem. Een groot aantal Joden werd gedood, gevangen genomen of verkocht als slaven. De tempel werd in brand gestoken, waarbij al het goud smolt. De Romeinen braken de tempel steen voor steen af om dat goud te bemachtigen. Zo kwamen de woorden van Jezus in Lukas 21:6 letterlijk uit. Jeruzalem werd hierbij volledig verwoest, precies zoals door deze profetie hier werd aangekondigd.
Wat we vervolgens zien in vers 27, is wat er na de negenenzestig weken nog één week lang zal gebeuren. Maar hier stuiten we op een uitdaging: naar wie verwijst de “hij” aan het begin van dit vers? We hebben net gezien in vers 26 dat de vorst die kwam Titus was, die in 70 na Christus Jeruzalem verwoestte. Maar Titus sluit nooit een verbond met Israël, laat staan voor zeven jaar, en hij deed halverwege zo’n periode ook geen slacht- of graanoffer ophouden. Eerder zagen we wel in Daniël 8 dat Antiochus Epifanes een tijdelijk verbond sloot en de tempel ontheiligde. Maar dat gebeurde in 165 voor Christus, dus in de periode van de eerdere 69 weken. Beide opties passen dus niet. De vraag blijft daarom: wie is de “hij” in Daniël 9:27? Wat we moeten concluderen, is dat wat vers 27 beschrijft, historisch gezien nog nooit heeft plaatsgevonden, want zeven jaar na de verwoesting in 70 na Christus waren de zes profetieën uit vers 24 nog niet vervuld. Het gaat dus over iets dat nog in de toekomst ligt. Er zit daarom een pauze tussen vers 26 en vers 27. We zagen al een kleine pauze in vers 26: tussen de kruisiging van Jezus, begin jaren 30 na Christus, en de vernietiging van Jeruzalem en de tempel in 70 na Christus, zitten ongeveer 38 jaar. Maar de pauze tussen vers 26 en 27 duurt inmiddels al bijna 2000 jaar! Dat maakt duidelijk dat vers 27 ons vooruitwijst naar een periode die nog moet komen.
Als je het vreemd vindt dat er hier een pauze kan zitten, weet dan dat dit helemaal niet ongebruikelijk is in de Schrift. Terug in Daniel 2:40-41 en 7:7 zien we halverwege het vers een soortgelijke pauze. In Lukas 4 preekt Jezus in Nazareth en leest Hij uit Jesaja 61:1-2. Daarna gaat Hij zitten en zegt: “Heden is deze Schrift in uw oren in vervulling gegaan.”[5] Als we echter in Jesaja 61:1-2 lezen, volgt direct na waar Jezus stopte: “en de dag van de wraak van onze God.”[6] Jezus zegt dat nog niet, want dat deel van het vers was toen nog niet vervuld, en is dat tot op de dag van vandaag nog steeds niet. Het is een pauze. We hebben eerder Zacharia 9:9 gelezen, maar tussen vers 9 en 10 zit een pauze. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden[7]. Met andere woorden, pauzes zijn dus helemaal niet vreemd. Sinds de dag dat Jezus op Zijn ezel weende omdat de mensen die dag niet onderkenden en zei dat het voor hun ogen verborgen was, loopt er een pauze omdat “er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan”, zoals Paulus zegt in Romeinen 11:25. Zoals ik vorige week al zei: Israël is Gods uurwerk. En de stopwatch staat momenteel op pauze. Maar er komt een moment dat God de stopwatch weer verder laat lopen, en dan zal de zeventigste week van start gaan.
Opnieuw moeten we hier een beetje als Sherlock Holmes te werk gaan. De “hij” in vers 27 is een leider die voor één week een verbond met velen zal bevestigen. In de context van Daniël verwijst “de velen” steeds naar de meerderheid van het Joodse volk. Het verbond waarover gesproken wordt, is wat in Jesaja 28:15 een “verbond met de dood” wordt genoemd. Maar halverwege die periode — dus na drieënhalf jaar — zal deze leider de offers beëindigen en een verwoestende gruwel veroorzaken, totdat uiteindelijk de vastgestelde vernietiging over hem wordt uitgestort. Over het begin van dit verbond zegt de Schrift verder weinig. Maar over het moment waarop de offers worden beëindigd en de gruwel van de verwoesting wordt opgericht, spreekt de Bijbel op veel plaatsen. En uit dit vers weten we dat het dezelfde persoon is die eerst het verbond bevestigt. Het midden van deze week is zelfs één van de meest uitgebreid beschreven momenten in de Bijbel. In Daniël 11 vanaf vers 36 tot aan het einde van hoofdstuk 12 wordt hier verder op ingegaan. Jezus verwijst ernaar in Mattheus 24:15 wanneer Hij zegt: “Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats…” En ook Paulus verwijst ernaar in 2 Tessalonicenzen 2:3–4. Daar noemt hij deze leider “de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf”. Hij heeft in de Schrift nog verschillende andere namen, maar wij kennen hem meestal onder één naam: de antichrist. Echter, grammaticaal gezien slaat de “hij” in vers 27 ook terug op Titus uit vers 26, als een soort voorafschaduwing van deze komende leider. Terug in Daniel 8:11-14 zien we bovendien Antiochus Epifanes, die de offers stopte en een periode van verwoestende afvalligheid bracht. Ook hij dient als een voorafschaduwing van deze toekomstige leider. Op deze manier laat God op verschillende manieren zien dat Hij in de geschiedenis daadwerkelijk mensen en gebeurtenissen gebruikt om toekomstige profetieën zichtbaar en begrijpelijk te maken. Trouwens, omdat deze twee leiders die als voorafschaduwing dienden — Titus en Antiochus Epifanes — beiden niet-Joodse mannen waren, kan dat een sterke aanwijzing zijn dat ook de antichrist een niet-Joodse man zal zijn.
De tweede helft van deze laatste week is wat Jezus[8] Zelf de “grote verdrukking” noemt. Een tijd “zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal.” Het is wat Jeremia 30:7 “een tijd van benauwdheid voor Jakob”, wat wederom bevestigd dat het specifiek voor Israël is. Deze grote verdrukking heeft als primaire doel om het overblijfsel van Israël te louteren en zuiveren en klaar te maken om Jezus Christus as Messias te erkennen, en vervult zo Gods plan om Israël tot bekering te brengen. Oftewel, het vervult de eerste drie profetieën van Daniël 9:24, zodat de tweede drie daaruit voortvloeien bij de wederkomst van Jezus.
WAT BETEKENT DIT VOOR ONS?
Als we even een stap terugnemen: wat betekent dit alles eigenlijk voor ons? Ik heb eerder al gezegd dat we onder de indruk mogen zijn van de enorme nauwkeurigheid, precisie en betrouwbaarheid van God, wetende dat Hij precies zo ook in ons leven werkt. Het is goed om dat na al deze complexe verzen nog eens te benadrukken, want het is makkelijk om te verdwalen in de details en door de bomen het bos niet meer te zien. Maar wat heerlijk dat we een God hebben die zo betrouwbaar is, die zoveel rust uitstraalt, en die zo nauw betrokken is bij alle details — ook in ons persoonlijke leven. Wat een troost dat Zijn betrokkenheid in ons leven niet afhankelijk is van onze prestaties of omstandigheden. Psalm 100:5 zegt: “Want de HEERE is goed, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, Zijn trouw van generatie op generatie.” Hij is altijd trouw. Hij is altijd goed. Hij is altijd aanwezig. En Hij werkt altijd alles ten goede voor wie Hem liefhebben. Dus, waar kun jij vandaag je twijfel loslaten en actief vertrouwen op Gods trouw en betrokkenheid? Hoe kan Zijn nabijheid en leiding je vandaag helpen om Hem te volgen, ook in de kleine dingen van je leven?
We hebben ook eerder gezien dat er een pauze is waarin wij ons momenteel bevinden. De Gemeente was een geheimenis in het Oude Testament[9], dat pas na het kruis[10] werd geopenbaard, met Jezus Christus Zelf als hoeksteen[11]. Wij zullen bij de Heer zijn voordat de zeventigste week van start gaat. Dat roept de vraag op: wat is de rol van de Gemeente, en dus ook van ons als gemeente, in deze pauze? Ondanks dat de Gemeente een geheimenis was, is zij er volgens het eeuwige voornemen van God[12]. Paulus schrijft daar uitgebreid over in Efeze 3–4. Te veel om nu volledig op in te gaan, maar ik wil er een paar dingen uitlichten die er echt met kop en schouders bovenuit steken.
Onze essentiële rol als gemeente is dat we de liefde van Christus leren kennen, zodat we vervuld worden tot heel de volheid van God[13]. Dat betekent dat we innerlijk gesterkt worden door Zijn Geest[14], dat we Hem alle glorie geven[15], en dat we in geestelijke eenheid[16] en liefde samen mogen toegroeien naar de volheid van Christus[17]. Dit geeft ons een beeld van hoe we in deze pauze naar Christus mogen kijken, elkaar mogen aanmoedigen en toerusten, en samen mogen groeien om steeds meer op Hem te lijken. De uitwerking daarvan is dat we de onnaspeurlijke rijkdom van Christus mogen verkondigen aan de wereld[18], en zo de veelvuldige wijsheid van God bekendmaken[19]. Met andere woorden: in deze pauze mogen we de Grote Opdracht uitvoeren en alle volken tot Zijn discipelen maken[20].
En ik geloof echt dat we in deze verzen, door de betrouwbaarheid en betrokkenheid van God te zien, de deur openzetten om de liefde van Christus nog dieper te leren kennen — dat is het fundament van de gemeente. Dus opnieuw: zie het karakter van God, zie met welke precisie Jezus is gekomen om voor ieder van ons aan het kruis te sterven. Laat dit rust creëren in je hart. En als je Jezus nog niet hebt aangenomen als je Redder, door het geloof in Zijn bloed dat aan het kruis voor jou werd vergoten, laat dit je vandaag aansporen om dat te doen.
Laten we bidden.
[1] Mk. 8:30, 9:9, 14:41
[2] Joh. 2:4; 7:6, 8, 30, 8:20
[3] Mat. 21:9
[4] Lk. 19:39
[5] Lk. 4:21
[6] Jes. 61:2
[7] Op. 12:5-6; Jes. 54:7; Hos. 3:4-5; Amo. 9:10-11; Hand. 15:13-18; Mic. 5:2-3; Lk. 1:31-32, 21:24; Dan. 11:11:35-36
[8] Mat. 24:21
[9] Efe. 3:1-7
[10] Efe. 2:16
[11] Efe. 2:20
[12] Efe. 3:11
[13] Efe. 3:19
[14] Efe. 3:16
[15] Efe. 3:21
[16] Efe. 4:3
[17] Efe. 4:13,16
[18] Efe. 3:7-8
[19] Efe. 3:10
[20] Mat. 28:19