2026.1004 – Wanneer God Onder Ons Komt Wonen
Johannes #3
Johannes 1:14-18
[CC Haarlemmermeer, 4 oktober 2026]
Alle Schriftreferenties zijn genomen van de Herziene Statenvertaling (HSV), tenzij anders aangegeven
INTRODUCTIE
Sla alsjeblieft je Bijbel open naar Johannes hoofdstuk 1. Vandaag maken we als het ware ons drieluik van de introductie van dit Evangelie af. Vandaag pakt Johannes in de verzen van vandaag de draad weer op en gaat hij verder met het Woord. We weten inmiddels dat Jezus het eeuwige Woord is en werkelijk God. Hij is persoonlijk onderscheiden van de Vader, en tegelijkertijd leeft Hij in een volmaakte relatie met God, voortdurend op Hem gericht en in volmaakte gemeenschap met Hem. Maar nu doet Johannes een monumentale uitspraak over dit Woord. En het is goed om daar vandaag bij stil te staan, zodat we niet alleen begrijpen wát Johannes zegt, maar ook echt de impact ervan op ons hart kunnen laten doordringen.
Als mens hebben we een aangeboren verlangen om God te kennen. En sinds de schepping heeft God Zichzelf al aan ons bekendgemaakt door Zijn werken[1]. Zelfs de meest toegewijde atheïst (als zoiets al zou bestaan) weet van het bestaan van God. Het zit als het ware ingebakken in ons wezen, omdat we naar Zijn beeld gemaakt zijn. Maar toch kunnen we ervoor kiezen om die waarheid te onderdrukken en ons hart ervoor af te sluiten, en zoals Paulus zegt verdwaasd en onverstandig van hart worden en leven alsof Hij niet bestaat[2].
Ook al erkennen we het misschien niet altijd, diep vanbinnen verlangen we ernaar God te kennen. Maar vaak proberen we Hem te begrijpen vanuit onze menselijke wijsheid, door religie of filosofie, of vanuit onze eigen ervaringen en inspanningen. We speculeren over de zin van ons bestaan en vormen ons eigen beeld van wie God zou moeten zijn. Maar Johannes zegt hier iets radicaal anders. Wij hebben God Zelf nodig om naar ons toe te komen en Zichzelf aan ons bekend te maken. We hoeven dus niet zelf uit te zoeken hoe God is. Sterker nog: we kunnen dat niet vanuit onszelf. God heeft Zichzelf geopenbaard. En Hij heeft Zichzelf geopenbaard in een Persoon. En dát is de monumentale uitspraak die Johannes hier doet.
“14En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. 15Johannes getuigt van Hem en heeft geroepen: Híj was het van Wie ik zei: Deze Die na mij komt, is vóór mij geworden, want Hij was er eerder dan ik. 16En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. 17Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen. 18Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.” (Joh. 1:14-18)
Laten we bidden.
GOD KOMT ONDER ONS WONEN (14A)
“14En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond…” (Joh. 1:14a)
Laten we beginnen te kijken naar het begin van vers 14: “14En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond…” En hier vinden we de eerste van vier uitspraken over God die Johannes in deze verzen doet: God komt onder ons wonen.
Wanneer Johannes zijn Evangelie begint met de woorden “In het begin was het Woord”, gebruikt hij een woord dat zijn lezers al kenden: ‘logos’. Wij zijn inmiddels zo vertrouwd met het idee dat Jezus het Woord is, en misschien ook met het woord ‘logos’ (als in: Jezus is de ‘Logos’) dat we die twee gemakkelijk als onlosmakelijk met elkaar verbonden zien en wellicht bijna als synoniem zien. Maar in het alledaagse Grieks betekent ‘logos’ simpelweg: een woord, een boodschap, een uitspraak of een bericht. En het is belangrijk dat we daar beginnen, want ‘logos’ betekent niet automatisch ‘Jezus’ iedere keer wanneer we het in het Nieuwe Testament tegenkomen. Het is dus niet alsof Johannes een geheim woord vond dat al naar Jezus verwees. Hij neemt een heel gewoon woord en geeft het een buitengewone betekenis.
‘Logos’ komt voort uit de wereld van het spreken en het verwoorden van gedachten. Het is de gedachte die een stem krijgt, de rede die hoorbaar wordt, de uiting van wat in iemands geest leeft. En dat helpt ons ook te begrijpen waarom dit woord zo’n grote betekenis kreeg in de wereld van toen. Wanneer mensen naar het universum keken en daarin orde zagen te midden van wat op het eerste gezicht chaos leek, begonnen ze zich af te vragen: wat houdt dit alles bijeen? Wat ligt er ten grondslag aan deze werkelijkheid? Wat is de reden, de orde, de betekenis achter alles wat bestaat? En daarvoor grepen ze naar het woord ‘logos’.
Ruim 500 jaar voor Christus begon Heraclitus, een Griekse filosoof, de term ‘logos’ te gebruiken om de rationele orde te beschrijven die ten grondslag ligt aan de wereld. Zo’n 200 jaar later borduurden de stoïcijnen daarop voort. Voor hen was de ‘logos’ niet slechts een patroon of principe, maar een actieve en goddelijke rede die de kosmos doordrong en als het ware bezielde. Vervolgens was het Philo van Alexandrië, rond de tijd van Jezus, die Griekse filosofie en de Joodse Geschriften met elkaar probeerde te verbinden. Hij sprak over de ‘logos’ als een goddelijke bemiddelaar tussen God en de geschapen wereld. Hij omschreef de ‘logos’ als het beeld van God, als goddelijke rede en zelfs als Gods eerstgeborene. De grote denkers grepen naar dit woord omdat ze iets aanvoelden van wat achter de werkelijkheid lag. Ze zagen rede, orde en betekenis in de wereld om hen heen. Het was alsof ze een stem achter het universum hoorden, maar niet konden zeggen van Wie die stem afkomstig was. Ze konden theorieën ontwikkelen over de ‘logos’, erover nadenken en redeneren en proberen haar te beschrijven.
Maar ze konden zich niet voorstellen dat de ‘logos’ een Persoon zou kunnen worden. En dan neemt Johannes datzelfde woord, een woord dat door de eeuwen heen steeds meer betekenis en lading had gekregen, en schrijft hij: “In het begin was het Woord” En vanaf dat moment gaat het niet langer alleen om wat is de rede is achter het universum, maar staat Johannes op het punt te vertellen wie Hij is. En nu zegt Johannes: “14En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond…” Dit is echt een monumentale uitspraak!
Maar Johannes doet hier nog iets anders wat we niet mogen missen. Eerder hebben we in vers 1 geconcludeerd dat het Woord er altijd al was, en in vers 3 dat alles door Hem geschapen is wat geschapen is. Hij is eeuwig en ongeschapen, en Hij is de Schepper van alles. Dat contrast tussen Schepper en schepping was daar bewust. En hier, in vers 14, doet Johannes precies hetzelfde. Hij gebruikt hetzelfde woord dat hij in vers 3 gebruikte en trekt daarmee opnieuw bewust een contrast. Het eeuwige, ongeschapen Woord dat er altijd al was, wordt nu mens. Het Woord wordt vlees. De Schepper treedt binnen in Zijn eigen schepping. Daarmee is het Woord natuurlijk niet opgehouden te bestaan wat Hij altijd was. Het Woord is eeuwig. Maar wat er gebeurt, is dat Hij aan Zijn Goddelijke natuur een menselijke natuur toevoegt. Zoals Paulus het zegt in Filippenzen 2:6-7: Hij was in de gestalte van God, maar werd aan de mensen gelijk. De Schepper wordt mens. Niet tijdelijk alsof Hij ophoudt God te zijn, maar werkelijk God én werkelijk mens. En Hebreeën 2:17 zegt dat Hij in alles aan Zijn broeders gelijk moest worden, zodat Hij de zonden van het volk kon verzoenen. Dat is wat Johannes ons hier laat zien: het eeuwige Woord blijft Wie Hij altijd is, maar komt zo dichtbij dat Hij onze menselijke natuur aanneemt.
De God Die hemel en aarde heeft geschapen, bleef niet op afstand van de wereld die Hij had gemaakt. Hij stuurde niet alleen maar opnieuw een boodschap, opnieuw een profeet of opnieuw een gebod. Hij kwam Zelf. Hij trad binnen in de wereld die Hij had geschapen. Hij stapte ons mens-zijn binnen en heeft onder ons gewoond. En het is goed om ook bij dat laatste woord even stil te staan. Het woord dat Johannes hier gebruikt, is in de grondtekst verwant aan het woord voor ‘tent’ en roept het beeld op van ergens je tent opslaan, ergens verblijven, je ergens vestigen. En dat brengt ons direct terug naar het Oude Testament, waar de tabernakel de plaats was waar God temidden van Zijn volk woonde. Johannes zegt dus niet alleen dat Jezus een tijdlang op aarde heeft geleefd. Hij gebruikt bewust het beeld van de tabernakel: God komt Zelf onder Zijn volk wonen.
De tabernakel was de plaats waar Gods aanwezigheid temidden van Zijn volk zichtbaar werd. En precies dat beeld gebruikt Johannes hier. In het Woord Zelf komt God bij ons wonen. In Jezus wordt Gods blijvende aanwezigheid onder ons zichtbaar en tastbaar, en dit vindt uiteindelijk haar volmaakte vervulling in Openbaring 21:3: “Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn.” Wat Johannes hier begint te vertellen, eindigt dus met God Die voor eeuwig bij Zijn mensen woont. De God Die wij niet konden bereiken, komt Zelf naar ons toe — en Hij komt niet alleen op bezoek. Hij komt bij ons wonen.
Jezus leefde het leven van een mens, met alles wat daarbij kwam kijken. Hij sliep omdat Hij moe werd. Hij at omdat Hij honger kreeg. Hij huilde toen Hij verdriet had. Hij wist wat het was om verkeerd begrepen te worden. Hij wist wat vriendschap was, maar ook wat afwijzing betekende. Hij kende eenzaamheid. Hij kende lijden. Misschien staan we daar niet altijd bij stil, maar Jezus weet hoe het is om hier op aarde te leven als mens. Soms stellen we ons God voor als Iemand Die ver boven de werkelijkheid van ons dagelijks leven staat. We weten dat Hij machtig is. We weten dat Hij heilig is. We weten dat Hij in de hemel is.
Maar misschien vragen we ons soms af: begrijpt Hij werkelijk hoe het is om hier beneden te leven? Begrijpt Hij wat ik ervaar? Begrijpt Hij mijn vermoeidheid, mijn verdriet, mijn eenzaamheid, mijn pijn? En Johannes zegt: kijk naar Jezus. Kijk naar Hem wanneer Hij moe is. Kijk naar Hem wanneer Hij verdriet heeft. Kijk naar Hem wanneer mensen Hem verkeerd begrijpen en afwijzen. Kijk naar Hem wanneer Hij aan tafel zit met mensen die door anderen aan de kant zijn geschoven. Kijk naar Hem wanneer Hij Zijn hand uitstrekt naar iemand die niemand anders wil aanraken. Als je wilt weten hoe God is, kijk dan naar Jezus. God blijft niet op afstand. Hij komt dichtbij. Misschien ga je op dit moment door een periode van eenzaamheid, teleurstelling, onzekerheid, pijn, verdriet, falen of angst.
Misschien weet je het allemaal niet zo goed meer en vraag je je af: Waar is God in dit alles? En Johannes zegt hier: God is niet op afstand. Hij is nabij. “De HEERE is nabij de gebrokenen van hart, Hij verlost de verbrijzelden van geest[3].” “God is ons een toevlucht en kracht; Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.[4]” Of, zoals een andere vertaling het zegt: “God is onze toevlucht en kracht, altijd bereid om te helpen in tijden van nood.” Hij komt dichtbij. Hij wachtte niet totdat de gebrokenen zichzelf hadden hersteld. Hij wachtte niet totdat de zondaar eerst zijn leven op orde had gebracht. Hij kwam Zelf. Dat is het hart van het Evangelie: God komt dichtbij juist omdat we Hem nodig hebben. Hij wacht niet op afstand totdat wij sterk genoeg zijn om naar Hem toe te komen. In Jezus komt Hij naar ons toe, midden in onze gebrokenheid, midden in onze nood, midden in ons falen.
Dat is het mooie van Zijn menswording: God had ons niet van een afstand lief, maar kwam Zelf onze wereld en ons mens-zijn binnen. Hij kwam dichtbij genoeg om aangeraakt te worden, dichtbij genoeg om gehoord te worden, dichtbij genoeg om afgewezen te worden, dichtbij genoeg om te lijden en dichtbij genoeg om Zijn leven voor ons te geven. En dat vraagt om een reactie. God hield Zich in Jezus niet op afstand van jou en mij. Laten wij Hem dan ook niet op afstand houden. Laat Hem dichtbij komen. Laten we in Zijn aanwezigheid leven en alles wat ons bezighoudt bij Hem brengen. Want Hij heeft het leven hier op aarde Zelf geleefd. Hij weet waar wij doorheen gaan. Hij kent onze vreugde en ons verdriet, onze kracht en onze zwakheid. En Hij is gekomen om ons te helpen, juist omdat wij het zelf niet kunnen.
GOD LAAT ONS ZIJN HEERLIJKHEID ZIEN (14B)
“(en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.” (Joh. 1:14b)
In de rest van vers 14 lezen we de tweede van vier uitspraken over God die Johannes in deze verzen doet: God laat ons Zijn heerlijkheid zien.
Dit is wat er gebeurt wanneer het Woord onder ons woont. We zien Zijn heerlijkheid. Door het hele Oude Testament heen zien we hoe Gods heerlijkheid verbonden is met Zijn aanwezigheid. In Exodus 33:18 roept Mozes uit: “Toon mij toch Uw heerlijkheid!” Mozes verlangde ernaar God te zien, Hem te kennen, Hem te ervaren, iets te zien van Wie Hij werkelijk is. En dan zegt Johannes hier iets wat bijna niet te bevatten is: “wij hebben Zijn heerlijkheid gezien” Maar hoe dan? Niet doordat we op de een of andere manier naar de hemel zijn opgeklommen. Niet doordat we een geheime of bijzondere geestelijke ervaring hebben opgedaan. We hebben niet alleen een glimp van Gods heerlijkheid zoals God het aan Mozes liet zien[5]. Nee. De heerlijkheid van God is naar ons toe gekomen. De heerlijkheid van God is zichtbaar geworden in Jezus. “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene Die in onze harten geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.[6]”
Als je wilt weten hoe God is, kijk dan naar Jezus. Wil je God zien in al Zijn heerlijkheid, al Zijn liefde, al Zijn genade en al Zijn barmhartigheid? Kijk dan naar Jezus. Kijk naar Hem wanneer Hij een melaatse aanraakt. Kijk naar Hem wanneer Hij de zondaar verwelkomt en met hen eet. Kijk naar Hem wanneer Hij huilt bij het graf van Lazarus. Kijk naar Hem wanneer Hij blinden geneest. Kijk naar Hem wanneer Hij verlamden doet opstaan. Kijk naar Hem wanneer Hij de treurenden troost. Kijk naar Hem wanneer Hij degenen vergeeft die Hem kruisigen. Dat is de heerlijkheid van God. Dat is Jezus, de Eniggeboren, unieke Zoon van de Vader. Jezus brengt ons niet slechts informatie over God. Hij laat ons zien Wie God werkelijk is. In Jezus zien we Gods heerlijkheid, omdat we in Hem God Zelf zien zoals Hij werkelijk is.
In Jezus hoeven we niet te raden hoe de Vader is. Johannes geeft ons twee woorden die dit samenvatten: “vol van genade en waarheid.” Het is zo makkelijk om een God te creëren die alleen maar uit genade bestaat. Een God die nooit confronteert, nooit uitdaagt en nooit oproept tot bekering. Maar het is net zo makkelijk om een God te creëren die alleen maar uit waarheid bestaat. Een God wiens heiligheid geen ruimte laat voor barmhartigheid. Maar Jezus is vol van genade én waarheid. Hij doet geen concessies aan de waarheid om genade te kunnen tonen. En Hij houdt nooit genade achter omdat de waarheid ongemakkelijk is. Hij herstelt Petrus na zijn drievoudige ontkenning[7], maar doet niet alsof het nooit gebeurd is. Hij heeft medelijden met de rijke jongeling[8], en toch vertelt Hij hem de waarheid die hij niet wil horen. Jezus voedt de hongerige menigte met brood[9], maar vertelt hun ook de hardere waarheid dat ze werkelijk Hém nodig hebben.
Jezus kiest nooit tussen genade en waarheid. Hij geeft ons beide. Hij hield genoeg van Petrus om hem te herstellen. Hij hield genoeg van de rijke jongeling om hem te confronteren. En Hij hield genoeg van de menigte om hen te vertellen Wie ze werkelijk nodig hadden. Genade zonder waarheid zou ons onveranderd laten. Waarheid zonder genade zou ons veroordelen. Genade ontmoet ons waar we zijn. Waarheid roept ons op tot verandering. En dit is goed voor ons om te realiseren, want wij worden voortdurend in de verleiding gebracht om God naar ons eigen beeld te scheppen. We willen vaak een God die het met ons eens is, die bevestigt wat we al geloven, en die ons nooit uitdaagt. We verkiezen vaak liever genade in hoe we willen dat anderen met ons omgaat, maar verkiezen vaak liever waarheid in hoe wij met anderen omgaan. Maar dat is niet hoe het werkt. Jezus is vol van genade én waarheid, zowel naar ons als naar anderen. Dus laat niet jouw beeld van God regeren, maar laat Jezus je beeld vormen. Als je wilt weten of God zich bekommert om gebroken mensen: kijk naar Jezus. Als je wilt weten of God zonde serieus neemt: kijk naar Jezus. Als je wilt weten of God bereid is te vergeven: kijk naar Jezus. Als je wilt weten of God de waarheid spreekt, zelfs als dat pijn doet: kijk naar Jezus. Als je wilt weten of God houdt van mensen die Hem hebben teleurgesteld: kijk naar Jezus. Johannes zegt “wij hebben Zijn heerlijkheid gezien” en Zijn heerlijkheid is vol van genade en waarheid.
GOD GEEFT VAN ZIJN VOLHEID (15-17)
“15Johannes getuigt van Hem en heeft geroepen: Híj was het van Wie ik zei: Deze Die na mij komt, is vóór mij geworden, want Hij was er eerder dan ik. 16En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. 17Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.” (Joh. 1:15-17)
Hier zien we de derde van vier uitspraken over God die Johannes in deze verzen doet: God geeft van Zijn volheid. Johannes beweegt zich hier van wat we zien naar wat we ontvangen. Hij zegt dat wij uit Zijn volheid genade op genade ontvangen. Wat een prachtig beeld van Jezus! Jezus heeft niet een beetje genade om te geven. Jezus heeft niet precies genoeg genade om ons erdoorheen te helpen. Nee, Johannes spreekt over de volheid van Jezus. Jezus raakt niet uitgeput. Hij heeft geen beperkte voorraad. Zijn genade raakt niet op, hoe groot onze nood ook is. Hij wordt niet minder door wat Hij aan ons geeft. Er is volheid in Christus. En Johannes zegt: uit die volheid ontvangen wij.
En dit is belangrijk om echt in ons hart te laten bezinken. Van nature hebben we namelijk de neiging om te denken en te doen alsof het christelijk leven vooral draait om wat wij voor God moeten presteren. Hij heeft toch goede werken voor ons voorbereid, zodat wij daarin zouden wandelen[10]? We moeten toch onze eigen zaligheid bewerken met vrees en beven[11]? En dus denken we al snel: meer ons best doen, beter leven, gedisciplineerder zijn, geestelijker worden, meer kerkactiviteiten, meer Bijbel lezen, vroeger opstaan, ons leven meer op orde krijgen. Toch? Maar Johannes draait dat volledig om! Het christelijk leven draait niet allereerst om wat wij naar Jezus brengen, maar om wat wij van Jezus ontvangen. Híj heeft die goede werken voorbereid, niet wij. Híj geeft ons door Zijn Geest de kracht om daarin te wandelen. Híj is het Die het willen en het werken in ons bewerkt. Het is Zíjn juk dat zacht is en Zíjn last die licht is.
Het gaat om Hem, niet om ons. Wij ontvangen alles wat wij nodig hebben uit Zijn volheid. En wat ontvangen we van Hem? Genade op genade. Genade wanneer we voor het eerst tot Christus komen. Genade wanneer we falen. Genade wanneer we zwak zijn. Genade wanneer we niet weten wat we moeten doen. Genade wanneer we niets te bieden hebben. En dan nog meer genade. En nog meer genade. We putten de genade van Christus niet uit. Misschien ben je hier vandaag gekomen en voel je je geestelijk leeg.
Misschien heb je het gevoel dat je geloof zwak is, dat je gebeden dor zijn, of dat je leven niet is zoals het zou moeten zijn. Misschien ben je je pijnlijk bewust van je tekortkomingen. Johannes zegt niet dat je zelf meer geestelijke kracht moet opwekken. Hij zegt: kom tot Zijn volheid. Want het christelijk leven draait er niet om dat we doen alsof we vol zijn terwijl we eigenlijk leeg zijn. Het gaat erom dat we onze leegte erkennen en komen tot Degene Die vol is. Wij komen met onze leegte. Hij geeft ons uit Zijn volheid. Genade op genade.
En dan vertelt Johannes waarom deze volheid zo belangrijk is: “17Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.” Wat Johannes hier niet zegt, is dat Mozes iets slechts bracht en Jezus iets goeds. Nee! De wet werd door God gegeven en is heilig en goed. “De wet van de HEERE is volmaakt,[12]” zegt de psalmist. En Paulus zegt, “Maar wij weten dat de wet goed is…[13]” De wet openbaarde Gods karakter, Zijn wil en Zijn maatstaf voor Zijn volk. Ze liet zien hoe heiligheid eruitziet en legde tegelijkertijd hun zonde bloot. Maar daar lag ook de beperking van de wet. De wet kon de zonde aanwijzen, maar de zonde niet wegnemen. De wet kon niet rechtvaardigen[14]. De wet kon ons niet het nieuwe hart geven dat we nodig hebben om God te gehoorzamen. De wet kon wijzen op Gods beloften, maar kon zelf niet de vervulling van die beloften zijn. De wet kon ons laten zien wat God van ons vraagt. Maar alleen Christus kan geven wat wij nodig hebben om voor God te leven. En daarom zegt Johannes: de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.
En dat is het grote verschil met Jezus, want Hij kan wat de wet niet kan. De wet zegt: Dit is Gods maatstaf. Jezus zegt: Kijk naar Mij. De wet legt onze zonde bloot. Jezus draagt onze zonde. De wet zegt hoe rechtvaardigheid eruitziet. Jezus schenkt ons Zijn rechtvaardigheid. De wet toont ons ons onvermogen. Jezus voorziet in wat wij missen. Het is dus niet Mozes versus Jezus, maar belofte versus vervulling. Wat God begon te openbaren via Mozes, is nu volmaakt geopenbaard in Jezus. En daarom zegt Johannes: “uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade.” Niet omdat wij iets van onszelf te geven hebben wat kan bijdragen, maar omdat Hij vol genade is.
Dat is waarom we tot Jezus komen: omdat Hij vol genade is. Dus kom tot Jezus als je je zonde erkent. Kom tot Jezus als je je leeg voelt. Kom tot Jezus als je gefaald hebt. Kom tot Jezus als je het niet meer weet. Kom tot Jezus als je de kracht niet meer hebt. Kom tot Jezus. Het gaat niet om wat wij uit onszelf kunnen voortbrengen. Het gaat om wat wij ontvangen uit de volheid van Jezus. Zijn genade raakt niet op. Zijn volheid neemt niet af. En wat je vandaag ook nodig hebt: Jezus is niet leeg. Uit Zijn volheid ontvangen wij. Genade op genade. “… zijn barmhartigheden houden niet op, 23elke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw![15]”
GOD LAAT ZICHZELF ZIEN DOOR JEZUS (18)
“18Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.” (Joh. 1:18)
Hier zien we de laatste van de vier uitspraken over God die Johannes in deze verzen doet: God laat Zichzelf zien door Jezus.
Zie het spanningsveld hier in dit vers. In vers 14 lezen we dat we de heerlijkheid van het Woord, van God, hebben gezien. En nu zegt Johannes dat niemand ooit God gezien heeft. Wat betekent dit? In Exodus 33:18 vraagt Mozes aan God: “Toon mij toch Uw heerlijkheid!” En Gods antwoord in vers 20 is: “U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.” Vervolgens wordt Mozes in de kloof van een rots geplaatst. Als Gods heerlijkheid voorbijtrekt, bedekt God Mozes met Zijn hand, zodat Mozes Hem alleen van achteren ziet en Zijn aangezicht niet zal zien[16]. Mozes ontvangt dus een werkelijke openbaring van Gods aanwezigheid en heerlijkheid.
Hij ontmoet God werkelijk. Hij hoort God werkelijk. Hij ziet werkelijk iets van Gods heerlijkheid en ontvangt een echte openbaring van Wie God is. Maar Mozes ziet God niet in Zijn oneindige, ongesluierde volheid. Gods oneindige wezen kan door een mens niet rechtstreeks worden aanschouwd. We lezen in Exodus 34:6-7 dat God voorbijtrekt dan openbaart God aan Mozes Zijn karakter. Mozes ziet dus niet Gods oneindige wezen in al Zijn ongesluierde heerlijkheid, maar God maakt Zichzelf werkelijk aan hem bekend. Hij laat Mozes zien Wie Hij is.
En precies daar ligt de verbinding met Johannes. Mozes ontving een werkelijke openbaring van Gods heerlijkheid. Johannes zegt dat wij in Jezus Gods heerlijkheid hebben gezien. Mozes kon God niet in Zijn oneindige volheid zien. Maar Jezus, Die in de schoot van de Vader is, Die de Vader van eeuwigheid kent en deelt in Zijn goddelijke natuur, heeft Hem aan ons verklaard. En dat woord ‘verklaard’ is waarvan ons woord ‘exegese’ is afgeleid. Het betekent: uitleggen, bekendmaken, uiteenzetten. Jezus heeft de Vader aan ons uitgelegd. Hij heeft Hem aan ons bekendgemaakt. Jezus is als het ware Gods exegese. God is oneindig; wij zijn eindig. God is Geest; wij zijn schepselen. Zijn heiligheid en heerlijkheid gaan ons bevattingsvermogen ver te boven en kunnen door ons niet in hun oneindige volheid worden aanschouwd.
Maar God heeft Zichzelf in Jezus volmaakt aan ons geopenbaard. Wanneer we dus naar Jezus kijken, zien we niet het onzichtbare wezen van de Vader alsof wij daarmee Gods oneindige heerlijkheid rechtstreeks aanschouwen. We zien de mensgeworden Zoon, Die waarachtig God en waarachtig mens is en Die de Vader volmaakt openbaart. Daarom kan Jezus in Johannes 14:9 zeggen: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.” Jezus vertelt ons niet slechts over God. Hij openbaart God. Zijn ontferming openbaart Gods ontferming. Zijn heiligheid openbaart Gods heiligheid. Zijn genade openbaart Gods genade. Zijn waarheid openbaart Gods waarheid. Zijn houding tegenover zondaars openbaart Gods hart voor zondaars. Als je wilt weten hoe de Vader is, kijk dan naar Jezus.
CONCLUSIE
En bij deze openbaring gaat het uiteindelijk om redding. Het eeuwige Woord kwam onder ons wonen om de Vader aan ons te openbaren en ons, zondaars, met de Vader te verzoenen. De God Die wij nooit in Zijn volheid zouden kunnen kennen, heeft Zichzelf bekendgemaakt. En Hij heeft Zichzelf bekendgemaakt in Zijn Zoon. De God Die wij nooit konden bereiken, is naar ons toe gekomen. De God Die wij nooit in Zijn volheid konden zien, heeft Zichzelf aan ons bekendgemaakt. De God Die wij nooit volledig konden doorgronden, heeft Zichzelf in Jezus geopenbaard. Bewonder Jezus dus niet alleen. Kom tot Hem. Als je God wilt kennen, kijk dan naar Jezus. Als je genade wilt, kom dan tot Jezus. Als je vergeving wilt, kom dan tot Jezus. Als je verzoening met God wilt, kom dan tot Jezus. En de vraag is dus uiteindelijk heel eenvoudig: Wat ga je met Hem doen? Houd je Hem op afstand? Of kom je naar Hem toe? Want Jezus zegt: kom.
[1] Rom. 1:19-20
[2] Rom. 1:21
[3] Ps. 34:19
[4] Ps. 46:2
[5] Ex. 33:23
[6] 2 Kor. 4:6
[7] Joh. 21:15-19
[8] Mk. 10:17-22
[9] Joh. 6:1-35
[10] Efe. 2:10
[11] Fil. 2:12-13
[12] Ps. 19:8
[13] 1 Tim. 1:8
[14] Gal. 3:21
[15] Klg. 3:22-23 (NBG51)
[16] Exo. 33:22-23