2026.0118 – Leven in Drie Realiteiten
Daniel #12
Daniel 7:1-14
[CC Haarlemmermeer, 18 januari 2026]
Alle Schriftreferenties zijn genomen van de Herziene Statenvertaling (HSV), tenzij anders aangegeven
INTRODUCTIE
Sla alstublieft je Bijbel open bij Daniël hoofdstuk 7. We zijn aangekomen bij een van de meest spannende delen van het boek. Daniël 7 is geen gewoon hoofdstuk. Verschillende Bijbelcommentatoren noemen het het belangrijkste hoofdstuk van Daniël, zelfs “het hart van het boek Daniël” [1]. Sommigen zeggen dat het behoort tot de belangrijkste passages van het hele Oude Testament. Waarom? Vooral vanwege het enorme profetische gewicht. Eindtijdtheoloog John Walvoord[2] zei hierover: “Volgens conservatieve uitleggers biedt het visioen van Daniël de meest omvattende en gedetailleerde profetie van toekomstige gebeurtenissen die in het hele Oude Testament te vinden is.”
Dat is een forse uitspraak en laat meteen de uitdaging zien: hoe behandelen we een hoofdstuk als dit op een zondagochtend? De verleiding is groot om volledig op te gaan in de details, maar daarvoor moeten we waken. Daar is zeker een tijd voor, maar dit is niet dat moment. Details zijn belangrijk. We dienen een God die van details houdt, die nauwkeurig is en die precies doet wat Hij zegt. Juist daarin laat Hij zien dat Hij intiem betrokken is bij onze wereld en volkomen te vertrouwen is. Maar de details zijn niet het einddoel. Ze zijn bedoeld om ons te wijzen op een grotere God, die steeds meer aanbidding verdient en die ons ook midden in het dagelijks leven tegemoetkomt.
Petrus zegt in 2 Petrus 1:19: “En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart.” Hoofdstukken zoals dit zijn als een lamp in het donker: het is aan ons om er aandacht aan te schenken. De details maken het licht scherper, maar de lamp zelf is een hulpmiddel om ons de weg te wijzen — daar ligt onze focus.
Dus, hoe pakken we dit hoofdstuk aan? Vandaag bekijken we de eerste helft, waarin Daniël zijn visioen ontvangt. Mijn doel is vooral om de context te schetsen: het leven in drie realiteiten. Dit zijn realiteiten waarmee wij te maken hebben, waar we rekening mee moeten houden, en waarbinnen wij als christenen vandaag leven. Volgende week behandelen we de rest van het hoofdstuk, waarin Daniël de uitleg ontvangt, en daar zullen we dan dieper op ingaan.
Laten we bidden.
DE REALITEIT VAN EEN GEBROKEN WERELD (1-8)
“1In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, had Daniël op zijn bed een droom en kreeg hij visioenen voor ogen. Toen schreef hij de droom op. De kern van de zaken omschreef hij als volgt: 2Daniël nam het woord en zei: ’s Nachts in mijn visioen keek ik toe, en zie, de vier winden van de hemel zweepten de grote zee op, 3en vier grote dieren stegen op uit de zee, die van elkaar verschilden. 4Het eerste was als een leeuw, met vleugels van een arend. Ik keek toe totdat zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de aarde opgeheven, het werd als een mens op zijn voeten gezet en het werd een mensenhart gegeven. 5En zie, een ander dier, het tweede, leek op een beer. Het richtte zich op naar één kant. Het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Men zei het volgende tegen het dier: Sta op, eet veel vlees. 6Daarna keek ik, en zie, er was nog een ander dier, als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug en het dier had vier koppen. En het werd heerschappij gegeven. 7Daarna keek ik toe in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die ervóór geweest waren. En het had tien hoorns. 8Terwijl ik op de hoorns bleef letten, zie, een andere, kleine, hoorn rees daartussen op. Drie van de eerdere hoorns werden voor hem uitgerukt. En zie, in die hoorn waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.” (Dan. 7:1-8)
Zoals eerder in deze serie aangegeven, is het boek Daniël niet chronologisch geschreven. Dit hoofdstuk staat tussen hoofdstuk vier en vijf, veertien jaar vóór hoofdstuk 5, in 553 v.Chr. [3], toen Daniël ongeveer 67[4] jaar oud was. Dit jaartal is belangrijk, omdat het laat zien dat God Daniël alles al had bekendgemaakt ver voordat het gebeurde — en een deel moet nog steeds uitkomen. Waarom is dat belangrijk? Het bevestigt dat God is wie Hij zegt dat Hij is: “Ik ben God, en er is er geen als Ik, 10Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher de dingen die nog niet plaatsgevonden hebben”[5] “Nieuwe dingen verkondig Ik; voordat ze ontkiemen, doe Ik ze u horen.”[6] God openbaart geschiedenis voordat het gebeurt, iets wat niemand anders kan. Dat maakt ook Zijn Woord uniek. Omdat God werkelijk is wie Hij zegt, kunnen wij in alle rust op Hem vertrouwen, zonder angst of paniek, wetende dat Hij alles onder controle heeft.
Terwijl Daniël slaapt, ontvangt hij een visioen. In Numeri 12:6 zegt God: “Als iemand onder u een profeet is, maak Ik, de HEERE, Mij door een visioen aan hem bekend, spreek Ik met hem door een droom.” Zo werkt het hier ook: Daniël, als profeet, krijgt een door God geïnitieerde openbaring tijdens zijn slaap. De droom is het middel, de visioenen de symbolische inhoud, en Daniël noteert de kern van wat hij ziet. Waarom? In vers 15 lezen we dat hij diep geraakt werd en dat de visioenen hem verschrikten. Als de omschrijving ons al kan doen schrikken, hoe veel te meer voor Daniël die het werkelijk zag!
Het eerste wat Daniël ziet in vers twee, is dat de vier winden van de hemel de grote zee opschudden. Dit beeld van de zee kan letterlijk de Middellandse Zee voorstellen, rondom het Babylonische, Perzische en Romeinse rijk, maar Gods Woord toont ons een diepere betekenis: de zee symboliseert ongecontroleerde chaos, van duisternis over de watervloed[7], die God heeft begrenst met deuren[8], en waarin God de koppen van zeemonsters verbrijzeld[9]. Ze is onstabiel en onvoorspelbaar, en staat daarom voor de goddelozen en rebelse naties. In Jesaja 57:20 lezen we: “Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee, want die kan niet tot rust komen, en zijn water woelt modder en slijk op.” Openbaring laat zien dat uit de zee zowel het eerste beest[10] als het grote Babylon[11] verschijnt, en bij het laatste oordeel geeft de zee haar doden op[12]. Zo kunnen we begrijpen waarom Daniël vier grote verschillende dieren uit de zee ziet opkomen: ze symboliseren het kwaad in de wereld, de goddelozen en de rebelse machten.
Voordat we verder gaan, is het goed te herinneren dat Daniël twee tot en met zeven een duidelijke structuur volgt. Hoofdstuk vier en vijf laten zien hoe God Zich openbaart aan twee heidense koningen, eerst in genade en dan in oordeel. Hoofdstuk drie en zes tonen, via de brandende vuuroven en de leeuwenkuil, wanneer ongehoorzaamheid aan overheden geoorloofd is. Vandaag zien we hoe hoofdstuk twee en zeven samengaan: de vier onderdelen van het standbeeld in hoofdstuk twee komen overeen met de vier beesten uit de zee in hoofdstuk zeven. Hoofdstuk twee geeft dit weer vanuit Nebukadnezars perspectief — vandaar het prachtige standbeeld met een hoofd van goud — terwijl hoofdstuk zeven het Joodse perspectief laat zien, met vier woeste beesten die hen vertrappen. Dit helpt ons om de betekenis van de vier beesten beter te begrijpen. En als je vanmiddag niets te doen hebt, dan kan je thuis je Bijbel openslaan naar Openbaring 13:2 waar Johannes hetzelfde ziet als Daniël hier, maar dan in omgekeerde volgorde.
In vers vier lezen we over het eerste beest: “Het eerste was als een leeuw, met vleugels van een arend. Ik keek toe totdat zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de aarde opgeheven, het werd als een mens op zijn voeten gezet en het werd een mensenhart gegeven.” Dit komt overeen met het gouden hoofd van het standbeeld in hoofdstuk twee, dat Daniël identificeert als Nebukadnezar. De leeuw symboliseert de koning der dieren, passend bij Daniël 2:37, waar Nebukadnezar “een koning der koningen” wordt genoemd, en ook in Jeremia 4:7 en 49:19 wordt hij profetisch als leeuw afgebeeld. De vleugels van een arend verwijzen naar zijn snelheid en plotselinge aanvallen, zoals in Habakuk 1:8 en Ezechiël 17:3. Dat de vleugels werden uitgerukt en het beest als een mens werd neergezet met een mensenhart, wijst op Nebukadnezars vernedering en herstel, zoals beschreven in hoofdstuk vier.
In vers vijf lezen we over het tweede beest: “En zie, een ander dier, het tweede, leek op een beer. Het richtte zich op naar één kant. Het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Men zei het volgende tegen het dier: Sta op, eet veel vlees.” Dit komt overeen met de borst en armen van zilver in hoofdstuk twee, een rang lager dan goud. Er is geen expliciete Bijbeltekst die de beer koppelt aan het Medo-Perzische rijk, maar het karakter van het beest past: een beer staat bekend om wreed, onstuitbaar geweld, niet om snelheid of elegantie — zo overwonnen de Meden en Perzen Babylon. Dat het zich op één kant richtte, weerspiegelt dat eerst de Meden kwamen en daarna de Perzen. De drie ribben in de muil worden vaak gezien als de drie grote koninkrijken die ze verpletterden: Lydia, Babylon en Egypte. Het bevel om op te staan en vlees te eten laat zien dat Medo-Perzië krachtig, maar niet almachtig was, en dat hun overwinning door God werd toegestaan.
In vers zes lezen we over het derde beest: “Daarna keek ik, en zie, er was nog een ander dier, als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug en het dier had vier koppen. En het werd heerschappij gegeven.” Dit komt overeen met de buik en dijen van brons in hoofdstuk twee. Luipaarden staan bekend om hun plotselinge bewegingen, explosieve snelheid en onophoudelijke achtervolging. De vier vleugels benadrukken die snelheid nogmaals. Daniël 2:39 zegt dat dit derde koninkrijk over de hele aarde zal heersen — dat was het Griekse rijk onder Alexander de Grote, dat in tien jaar tijd alles tot Indië veroverde. Na zijn dood werd het rijk verdeeld onder zijn vier generaals, wat de vier koppen symboliseert: Cassander kreeg Macedonië en Griekenland, Lysimachus Thracië en Klein-Azië (het huidige Turkije en Bulgarije), Seleucus Syrië en Mesopotamië (wat Irak is), en Ptolemy Egypte.
In vers zeven en acht lezen we over het vierde beest: “7Daarna keek ik toe in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die ervóór geweest waren. En het had tien hoorns. 8Terwijl ik op de hoorns bleef letten, zie, een andere, kleine, hoorn rees daartussen op. Drie van de eerdere hoorns werden voor hem uitgerukt. En zie, in die hoorn waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.” Dit correspondeert met de benen van ijzer in hoofdstuk twee, waarvan Daniël 2:40 zegt dat dit koninkrijk alles verbrijzelt en verplettert. Terwijl de eerste drie beesten nog enigszins voorstelbaar waren, wordt dit vierde beest gedefinieerd door wat het doet, niet door wat het is. Het laat de ware aard van het Romeinse rijk zien: absolute militaire macht, politieke wreedheid en totale culturele dominantie.
Er is geen vijfde beest, want er was geen groot rijk dat het Romeinse rijk volledig overwon. Het rijk splitste zich: een westelijk deel dat langzaam door Germaanse stammen werd verslagen en uitstierf in 476 n.Chr., en een oostelijk deel, het Byzantijnse rijk, dat viel in 1453 door de Ottomaanse Turken. Profetisch gezien zal dit rijk in de eindtijd weer opstaan, waaruit de antichrist zal verschijnen. In vers zeven zien we dus een pauze van inmiddels ruim 2600 jaar: vanaf “het had tien hoorns” gaat het over de toekomst. Dit komt overeen met de voeten en tenen in hoofdstuk twee, een verdeeld koninkrijk van ijzer vermengd met leem — deels sterk, deels broos. In de tweede helft van dit hoofdstuk krijgt Daniël meer uitleg over dit vierde beest, en daar zullen we ons dan op richten.
Zoomen we iets uit, dan zien we naast de profetische tijdslijn ook een ander perspectief: hoofdstuk 2 en 7 tonen de onderdrukker tegenover de onderdrukte, wereldpolitiek tegenover Gods morele blik. Wat voor mensen schitterend goud of zilver lijkt, is voor God beestachtig. De vier beesten zijn koninkrijken die handelen zonder rechtvaardigheid, mededogen of zelfbeheersing — gezag los van Gods karakter. Voor Daniël was dit verontrustend, net zoals voor ons. Ook wij leven in politieke systemen die instabiel en vaak angstaanjagend zijn: een tijd van chaos, corruptie, sociale onrust en moreel compromis. Machtige instellingen onderdrukken eerder dan beschermen, leiders dienen hun eigen ambities, en oorlogen en onrecht kunnen ons klein en machteloos doen voelen. En het wordt niet beter, maar slechter. De vier beesten confronteren ons met de harde realiteit, met een wereld die niet is zoals ze hoort te zijn. Dat is de eerste realiteit: we leven in een gebroken wereld.
De vraag is: hoe gaan we hiermee om? Hoe leven we in de realiteit van een gebroken wereld, en hoe lezen we profetische teksten die dit zo duidelijk laten zien? Laat mij kort twee zienswijzen noemen die ons daarbij kunnen helpen. De eerste is onderscheidingsvermogen. Dit visioen dwingt ons de wereld te zien zoals zij werkelijk is, niet zoals zij zichzelf presenteert. Kijken we naar de wereld door Gods ogen? Paulus zegt in 1 Tessalonicenzen 5:5–6, in de context van de eindtijd: “U bent allen kinderen van het licht […] laten wij waakzaam en nuchter zijn.” Wie we zijn is duidelijk, maar wandelen we daar ook in? Die waakzaamheid is onze verantwoordelijkheid. Iets vergelijkbaars lezen we in 1 Kronieken 12:32, waar de mannen van Issaschar inzicht hadden in de tijden om te weten wat Israël moest doen. Dit gaat over geestelijk onderscheidingsvermogen: de tijd waarin we leven verstaan in het licht van Gods geopenbaarde plan. Neem die oproep ter harte. En terwijl we dit doen is het tweede trouw handelen. Ongeacht de omstandigheden roept God ons op om trouw te dienen en recht te doen, als Zijn ambassadeurs op de plek waar Hij ons heeft geplaatst. Door daden van gerechtigheid, barmhartigheid en mededogen laten we Gods Koninkrijk zien en bieden we weerstand tegen de chaos en wreedheid die de beesten vertegenwoordigen.
DE REALITEIT VAN EEN OORDELENDE TROON (9-12)
“9Ik keek toe totdat er tronen werden geplaatst, en de Oude van dagen Zich neerzette. Zijn gewaad was wit als de sneeuw en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen en de wielen ervan waren laaiend vuur. 10Een rivier van vuur stroomde en ging voor Zijn aangezicht uit. Duizendmaal duizenden dienden Hem en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Zijn aangezicht. Het gerechtshof hield zitting en de boeken werden geopend. 11Toen keek ik, vanwege het geluid van de grote woorden die de hoorn sprak. Ik keek toe totdat het dier gedood werd en zijn lichaam vernietigd werd, en aan het laaiend vuur werd prijsgegeven. 12Ook de rest van de dieren ontnam men hun heerschappij, want verlenging van het leven was hun gegeven tot een bepaald tijdstip en een bepaalde tijd.” (Dan. 7:9-12)
Als we alleen tot vers 8 zouden lezen, zouden we ons afvragen: waar is God in dit alles? Dat zal Daniël ook hebben gedacht. Hij ziet de uiteindelijke macht van de antichrist, maar blijft kijken totdat “totdat er tronen werden geplaatst, en de Oude van dagen Zich neerzette.” Daniël verwacht meer te zien — en hij wordt niet teleurgesteld. Na een visioen van de wereldgeschiedenis ontvangt hij nu een blik in Gods troonzaal bij het oordeel over de heidense naties. God de Vader verschijnt in wit en zuivere wol, tekenen van Zijn eeuwige puurheid, wijsheid en autoriteit. Drie keer zien we vuur — troon, wielen en rivier — als beeld van Gods heiligheid, macht en oordeel[13]. Engelen dienen Hem, en dan klinken de beslissende woorden: “Het gerechtshof hield zitting en de boeken werden geopend.”
Elk onderdeel van deze twee verzen wijst op één ding: een komend oordeel. Dit is een blauwdruk voor wat we later ook terugzien in Openbaring 19 en Mattheüs 25. Daniël ziet allereerst het vierde beest — het herrezen vierde koninkrijk van ijzer en leem, de antichrist en zijn rijk — vernietigd worden in vuur, zoals ook Openbaring 19:20 zegt: “En het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet […]. Deze twee werden levend geworpen in de poel van vuur, die van zwavel brandt.” Daarna ziet hij wat er gebeurt met de andere drie beesten. Hoewel zij hun heerschappij al eerder verliezen, blijven hun instellingen, ideeën en invloed geestelijk voortleven in latere en huidige wereldsystemen. Toch is dit tijdelijk: “tot een bepaald tijdstip en een bepaalde tijd,” wat verwijst naar Mattheüs 25:31-46. Bij de wederkomst van Christus oordeelt Hij over de heidense naties die uit de Grote Verdrukking komen en bepaalt wie het duizendjarig koninkrijk binnengaat — inderdaad na de vernietiging van het beest en de valse profeet.
Alhoewel dit niet het laatste oordeel over de hele mensheid is, fungeert het als een proloog en laat het de tweede realiteit zien waarin wij leven: de realiteit van een komende oordelende troon. Terwijl de beesten brullen en tekeergaan, zit God rustig op Zijn troon, wachtend op het juiste moment waarop Zijn oordeel en gerechtigheid zullen uitgaan. Niet al het oordeel komt tegelijk; God is soeverein in hoe en wanneer Hij oordeelt. Daniël herinnert ons hier dat God de heerschappij kan beëindigen voordat Hij de invloed beëindigt. Hij bestuurt de tijd net zo zorgvuldig als Hij de macht bestuurt. Niets gaat verder dan Hij toestaat, en niets eindigt vóór het vastgestelde moment.
Achter de chaos van deze wereld is de realiteit van Gods wereld, en het is goed te leven met het besef van een komende oordelende troon. Paulus zegt in Kolossenzen 3:1-2: “1Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, Die aan de rechterhand van God zit. 2Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn…” Het is goed om te mediteren op die hemelse realiteit: de troon, de rivier van levend water, Gods eeuwige aanwezigheid. De 17de-eeuwse puritein George Swinnock[14] schrijft dat het primaire doel van mediteren op de dag des oordeels zelfonderzoek is: “Als je nauw met God wilt wandelen en Hem trouw wilt blijven, dagelijks met Hem wilt afrekenen, moet je jezelf aan een strenge zelfreflectie onderwerpen: Wat doe ik? Hoe leef ik? Wie ben ik? Is het werk dat ik doe gerechtvaardigd door het Woord of niet? Is mijn leven een leven van geloof, van heiligheid of niet?… Roep jezelf ter verantwoording voor je zonden, openbare en verborgen zonden… Roep jezelf dagelijks ter verantwoording voor je genade, vraag jezelf af: hoeveel ben ik God verschuldigd?”
Leven in de realiteit van het oordeel als een belofte betekent vertrouwen op God, je hart richten op eeuwige dingen, en dagelijks in gehoorzaamheid en aanbidding leven, wetende dat alles goed zal komen en eeuwige gemeenschap met Hem wacht. Voor de gelovige is het oordeel geen bedreiging, maar een prachtige openbaring van Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid.
DE REALITEIT VAN EEN ONWANKELIJKBAAR KONINKRIJK (11-14)
“13Ik keek toe in de nachtvisioenen, en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand als een Mensenzoon. Hij kwam tot de Oude van dagen en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbij komen. 14Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.” (Dan. 7:11-14)
Daniël bleef kijken en zag de climax: na de vier menselijke koninkrijken als beesten is er nu een vijfde koninkrijk — het Koninkrijk van God. Dit koninkrijk wordt door God de Vader aan Jezus, de Mensenzoon, gegeven, om voor eeuwig te heersen; niets kan het ten gronde richten en niemand kan het Hem ontnemen. Dit vervult Daniël 2:44 en vindt zijn voltooiing bij de Wederkomst van Christus (Openbaring 19) en het duizendjarig koninkrijk, gevolgd door de eeuwigheid (Openbaring 20–22).
Wat een contrast is dit met de voorgaande koninkrijken! Gods Koninkrijk komt niet door geweld, manipulatie of angst, maar door liefde, genade en rechtvaardigheid. Het faalt nooit en zal nooit teleurstellen. Wij verlangen naar die veiligheid, stabiliteit en naar een leiderschap dat we kunnen vertrouwen — iets wat aardse machten nooit volledig kunnen bieden. Zij zijn tijdelijk, onstabiel en vaak meedogenloos. Jezus daarentegen regeert met het gezag van God en een heerschappij die voor eeuwig gebaseerd is op rechtvaardigheid en trouw aan Zijn beloften. Daniëls visioen verzekert ons dat Jezus, die aan het kruis leed en vernederd werd, uiteindelijk door alle volken aanbeden zal worden. Zijn dood en opstanding garanderen dat Gods plan volledig zal worden voltooid.
We zien dit beeld ook terug in de laatste paar verzen van Hebreeën 12. Daar lezen we dat God nog eenmaal niet alleen de aarde, maar ook de hemel zal doen beven. En vanaf vers 27 lezen we dan, “27Dit ‘nog eenmaal’ duidt op de verandering van de dingen die kunnen wankelen als van dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die onwankelbaar zijn, zouden blijven. 28Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de genade vasthouden en daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied.”
Dit is de derde realiteit waarin wij mogen leven: de realiteit van een onwankelbaar Koninkrijk. De beesten mogen brullen en de chaos mag oplaaien, maar Gods Koninkrijk staat vast. Het komt nog in zijn volle heerlijkheid, en toch is het al ingeluid. Jezus zei immers in Markus 1:15: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen; bekeer u en geloof het Evangelie.” Die uitnodiging klinkt al tweeduizend jaar — en ook vandaag.
Laat me kort drie zeggen die ons kunnen helpen om in deze realiteit te leven. Ten eerste, Jezus en het Koninkrijk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het Koninkrijk is onwankelbaar, en we hebben in Jezus een onwrikbare hoop als een anker voor onze ziel[15]. Dit betekent dat door Jezus onze hoop op dit Koninkrijk vast en onwrikbaar is, en daar mogen we vanuit leven. Hoe? Door het vanuit deze lens te bekijken. Alles in ons leven is dus wankelbaar en kan worden afgenomen, maar niet onze vaste hoop. Daardoor gaan we instabiliteit anders interpreteren. Het is niet God die de controle kwijt is als het leven instort, maar het legt juist bloot wat wel en niet onwankelbaar is.
Ten tweede mogen we nu al leven als burgers van dat onwankelbare Koninkrijk. Paulus zegt niet voor niets dat ons burgerschap in de hemelen is. Dat doen we door het karakter van Jezus onze dagelijkse keuzes te laten bepalen, en hierin niet mee te gaan met het wereldsysteem. Dus, we kiezen voor waarheid boven manipulatie of zwijgen, voor nederigheid boven status, voor het zien van wie over het hoofd worden gezien, en voor het beschermen van de kwetsbaren boven ons eigen comfort.
Ten derde mogen we ons lijden zien in het licht van het onwankelbare Koninkrijk, waar God alle tranen zal wissen en geen dood, rouw of pijn meer zal zijn. Tegelijk mogen we ons lijden nu al bij Hem brengen: we bidden eerlijk, treuren openlijk en houden vast aan beloften die niet kunnen worden afgenomen. Zoals Psalm 73:26 zegt: “Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart, dan is God de rots van mijn hart en voor eeuwig mijn deel.” God zal het goede werk dat Hij in ons begonnen is voltooien. Elke beproeving heeft een einddatum, en er komt een moment dat wij het onwankelbare Koninkrijk binnengaan en alles nieuw zal zijn. Die hoop geeft ons de kracht om vandaag te volharden. Dus laat de realiteit van dit onwankelbare Koninkrijk bepalend zijn hoe we vandaag leven.
CONCLUSIE
We leven in drie realiteiten: in de tijd van de beesten, in de tijd van het onwankelbare Koninkrijk, en in het uitzien naar de troon waar alles vervuld zal worden. De beesten herinneren ons aan een gebroken wereld, de troon herinnert ons dat God regeert, en de Mensenzoon verzekert ons dat hoop zal winnen.
Hoe leven we in deze drie realiteiten tegelijk? Door eerlijk te zijn over onze gebrokenheid en de beproevingen die daarbij horen, zonder ons daardoor te laten definiëren. We richten onze blik boven de chaos van deze wereld, op God die alle dingen nieuw zal maken[16] en door Jezus een eeuwig Koninkrijk zal vestigen — vol heerlijkheid en heiligheid in Zijn aanwezigheid. Dat is hoe we in deze drie realiteiten leven en kunnen volharden. Niet omdat het makkelijk is, maar omdat het einde zeker is.
Als je nog geen deel bent van dit onwankelbare Koninkrijk, dan is vandaag de dag. De oproep van Jezus “bekeer u en geloof het Evangelie” geldt ook vandaag voor jou. Neem Jezus aan als je Redder, want alleen “in Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden.”[17]
Laten we bidden.
[1] “the heart of the Book of Daniel” ~ N. W. Porteous, Daniel, OTL (Philadelphia: Westminster, 1965), 95.
[2] “As interpreted by conservative expositors, the vision of Daniel provides the most comprehensive and detailed prophecy of future events to be found anywhere in the Old Testament.” ~ J. F. Walvoord, Daniel: The Key to Prophetic Revelation (Chicago: Moody, 1971), 145.
[3] Nabonidus begon zijn regering in 556 v.Chr., en Belsazar nam het in het derde jaar over als co-regent
[4] Daniels geschatte leeftijd is op basis dat hij 15 jaar was aan de start van het ballingschap
[5] Jes. 46:9ff-10a
[6] Jes. 42:9
[7] Gen. 1:2
[8] Job 38:8-11
[9] Ps. 74:13-14
[10] Op. 13:1
[11] Op. 17:1
[12] Op. 20:13
[13] Zie ook Ps. 97:2-3
[14] “If thou wouldst walk closely with God, and keep even with him, reckon daily with him, call thyself to a strict scrutiny: What do I? How live I? What am I? Is the work I do warrantable by the Word or no? Is my life the life of faith, of holiness, or no?… Call thyself to an account for thy sins, open and private sins…. Call thyself to an account daily for thy mercies, ask thyself, how much am I indebted to God?” ~ George Swinnock (1627-1673), The Christian Man’s calling, 3:144
[15] Heb. 6:19
[16] Op. 21:5
[17] Kol. 1:14