2026.0906 –Wanneer Duisternis Het Licht Ontmoet
Johannes #1
Johannes 1:1-5
[CC Haarlemmermeer, 6 september 2026]
Alle Schriftreferenties zijn genomen van de Herziene Statenvertaling (HSV), tenzij anders aangegeven
INTRODUCTIE
Sla alsjeblieft je Bijbel open bij het Evangelie volgens Johannes. We beginnen vandaag aan een nieuwe serie, en ik moet zeggen: daar word ik echt enthousiast van. Voor velen is dit een geliefd Evangelie, juist vanwege de eenvoud waarmee Johannes schrijft. Het leest gemakkelijk en spreekt ons direct aan. En toch ontdekken we, als we er wat dieper in gaan, een enorme diepgang en complexiteit; misschien wel meer dan in de andere drie Evangeliën.
Johannes is wat dat betreft een beetje de vreemde eend in de bijt, want het is niet een van de zogenaamde synoptische Evangeliën. Het woord ‘synoptisch’ betekent “het geheel samen zien”, en dat is ook precies wat deze drie andere Evangelie vertellingen doen. Mattheüs, Markus en Lukas laten ons samen het leven en de bediening van Jezus op aarde zien, met een aanzienlijke overlap in wat zij vertellen. Johannes kiest echter een heel andere route. Hij laat Jezus zien vanuit een meer theologische lens. Waar Mattheüs vooral laat zien wat Jezus zei, Markus wat Jezus deed, en Lukas wat Jezus voelde, laat Johannes ons vooral zien wie Jezus is; Zijn identiteit. Hij richt zich minder op de menselijke aspecten van Jezus en legt juist de nadruk op Zijn goddelijke natuur. Wat Johannes daarmee als doel had, lezen we aan het einde van zijn Evangelie, in Johannes 20:30-31. Daar schrijft hij: “30Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek,
31maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.”
Johannes vertelt het dan ook niet zozeer als een biografie, maar bouwt zijn Evangelie rondom een serie van zeven tekenen, beginnend met het veranderen van water in wijn en eindigend met de opwekking van Lazarus. Daarmee ontstaat er een duidelijke spanningsboog: van het openbaren van Jezus’ glorie naar Zijn dood en opstanding. En die lijn wijst uiteindelijk verder vooruit, naar Zijn wederkomst en daarmee ook naar het vervolg van dit verhaal: het boek Openbaring, eveneens geschreven door Johannes. En dat is precies waarom deze Evangelie vertelling zo anders aanvoelt. Johannes wil ons niet alleen vertellen wat Jezus heeft gedaan. Hij wil ons laten zien wie Jezus werkelijk is, zodat wij Hem zien, in Hem geloven en door dat geloof het leven ontvangen in Zijn Naam.
We gaan vandaag kijken naar de eerste vijf, ontzettend rijke verzen. Er is veel te zeggen over deze verzen, en ik denk dat het goed en belangrijk is om een aantal dingen ook daadwerkelijk te benoemen. Maar het allerbelangrijkste is dat we Jezus niet uit het oog verliezen. Want dat is uiteindelijk precies wie Johannes wil dat wij zien: Jezus. Daarom wil ik in deze vijf verzen drie praktische punten met jullie maken over wie Jezus is, zodat Hij centraal staat in onze tijd samen vandaag.
“1In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 2Dit was in het begin bij God. 3Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is. 4In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen. 5En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.” (Joh. 1:1-5)
Laten we bidden.
JEZUS IS DE EEUWIGE GOD DIE WIJ HEBBEN NAGELATEN TE AANBIDDEN (1-2)
“1In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 2Dit was in het begin bij God.” (Joh. 1:1-2)
In vers 1-2 vinden we ons eerste punt: Jezus is de eeuwige God die wij hebben nagelaten te aanbidden.
Johannes begint hier met een duidelijke echo van Genesis 1:1, “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” Maar let op het verschil. Genesis begint met de schepping terwijl Johannes vóór de schepping begint. Johannes zegt niet dat het Woord in het begin is ontstaan, maar dat het Woord er al was. Je zou het ook kunnen zeggen als: “In het begin was het Woord er al.” Johannes presenteert het Woord als een reeds bestaande werkelijkheid vóór het begin. Met andere woorden, Johannes presenteert het Woord als eeuwig.
Vervolgens zegt Johannes dat het Woord bij God was. Maar hoe moeten we dat ‘bij God’ eigenlijk zien? Op wat voor manier was het Woord bij God? Johannes had in het Grieks twee verschillende woorden tot zijn beschikking voor het eenvoudige woord ‘bij’. Het woord dat hij niet heeft gekozen, zou vooral de nadruk hebben gelegd op nabijheid en kameraadschap: het Woord was samen met God, in Zijn aanwezigheid. Maar het woord dat Johannes wél kiest, legt veel meer nadruk op het relationele en directionele aspect. Het gaat om een persoonlijke relatie: het Woord is onderscheiden van God, maar in relatie met God, bij Hem en op Hem gericht. Het is niet slechts aanwezig naast God, maar voortdurend naar God toegekeerd. Dus wat weten we nu? Het Woord is eeuwig. En dit eeuwige Woord is vanaf alle eeuwigheid onderscheiden van God, maar in een persoonlijke relatie met God, voortdurend op Hem gericht en in volmaakte fellowship met Hem.
En dan sluit Johannes zijn eerste zin af met de meest directe en tegelijkertijd meest verbazingwekkende uitspraak: en het Woord was God. Tot drie keer toe gebruikt Johannes in dit vers het woordje ‘was’. En zoals ik eerder zei dat je “In het begin was het Woord” ook kunt vertalen als “In het begin was het Woord er al,” zo geldt dat ook voor de rest van het vers. Je zou het dan zo kunnen lezen: “In het begin was het Woord er al, en het Woord was al in relatie met God, en het Woord was al God.” En als je dit eerste vers eenvoudigweg leest en kunt aannemen wat er staat, dan ben je gezegend. Want juist over dat laatste stukje is door de eeuwen heen ontzettend veel debat en controverse geweest, en nog steeds. Daarom is dit misschien een goed moment om hier even bij stil te staan, zodat je met nog meer zekerheid kunt zien dat Johannes hier werkelijk zegt wat er staat.
Als je dit laatste stukje van het vers in het Grieks zou lezen zonder dat je echt Grieks begrijpt dan zou je tot twee foute conclusies kunnen komen. De eerste kwestie heeft te maken met woordvolgorde. In het Nederlands is woordvolgorde belangrijk. ‘De hond bijt de man’ betekent iets heel anders dan ‘de man bijt de hond.’ Onze zinsbouw is in basis eerst onderwerp, dan werkwoord, en dan lijdend voorwerp. In Grieks is woordvolgorde niet belangrijk voor de betekenis, want de functie van het woord in de zin is ingebouwd in het woord, en dus kan je de woorden in elke volgorde zetten en het blijft hetzelfde betekenen. Woordvolgorde wordt met name gebruikt om nadruk te leggen. Dit is hier belangrijk om te weten, want de Griekse woordvolgorde hier is “en God was het Woord”, maar in onze Bijbel staat “en het Woord was God”, en onze Bijbel is correct.
De tweede kwestie heeft te maken met het lidwoord. In het Nederlands hebben we drie lidwoorden: de, het en een. In het Grieks is dat anders. Het Grieks heeft slechts één lidwoord, maar dat functioneert op een heel andere manier dan onze Nederlandse lidwoorden en is daarom bijna niet één-op-één met het Nederlands te vergelijken. In deze zin is ‘het Woord’ grammaticaal het onderwerp, omdat het het lidwoord heeft, en daarom is “en het Woord was God” correct. Er zijn groeperingen, waaronder de Jehova’s Getuigen, die zeggen dat het ontbreken van het Griekse lidwoord vóór ‘God’ betekent dat het daarom als ‘een god’ vertaald zou moeten worden.
Om deze twee verkeerde conclusies te vermijden, moeten we onszelf twee vragen stellen. Ten eerste: waarom staat ‘God’ vooraan in de zin? En ten tweede: waarom heeft Johannes in het Grieks geen lidwoord vóór ‘God’ gezet? Johannes is hier ontzettend nauwkeurig in zijn formulering. Door ‘God’ vooraan in de zin te plaatsen, benadrukt hij de aard en essentie van het Woord. Alles wat waar is over God in termen van Zijn goddelijke natuur en eigenschappen, is ook waar over het Woord. Tegelijkertijd voorkomt Johannes, door in het Grieks geen lidwoord vóór ‘God’ te plaatsen, dat we de persoon van het Woord zouden identificeren met de persoon van God de Vader. Met andere woorden: de woordvolgorde maakt duidelijk dat Jezus Christus alle goddelijke eigenschappen bezit die de Vader heeft, terwijl het ontbreken van het lidwoord duidelijk maakt dat Jezus Christus niet de Vader is. Het Woord is God, maar het Woord is niet de Vader.
Als Johannes deze zin op elke andere manier had geformuleerd, zouden we gemakkelijk tot verkeerde conclusies kunnen komen: óf dat Jezus dezelfde persoon is als de Vader, óf dat Jezus slechts een andere god of een minder goddelijk wezen is. Maar Johannes maakt beide waarheden tegelijkertijd duidelijk: het Woord is volledig God en bezit de goddelijke natuur en eigenschappen van God, en tegelijkertijd is het Woord persoonlijk onderscheiden van de Vader. Dr. Daniel Wallace[1], een bekende hoogleraar gespecialiseerd in Nieuwtestamentisch Grieks, zegt hierover: “Johannes’ formulering is hier prachtig compact! Het is in feite een van de meest elegant beknopte theologische uitspraken die men ooit zou kunnen vinden.”
Dit eerste vers leert ons drie onlosmakelijke waarheden. Johannes vertelt ons geen interessante weetjes over Jezus. Hij vertelt ons wie Jezus is: Het Woord is eeuwig. Het Woord is een persoon die onderscheiden is van God de Vader. Het Woord is werkelijk God. En wanneer we vervolgens vers 2 lezen, lijkt dat op het eerste gezicht overbodig. Want vers 2 zegt eigenlijk opnieuw wat vers 1 al heeft gezegd. Maar dat is precies het punt. Vers 2 herhaalt en onderstreept de eerste helft van vers 1. Johannes wil niet dat wij hier als lezer te snel overheen gaan. Hij wil dat deze waarheid bij ons binnenkomt en blijft hangen. Het Woord is eeuwig. Het Woord is een persoon die onderscheiden is van God de Vader. Het Woord is werkelijk God. Het Woord was er vanaf alle eeuwigheid, in een persoonlijke relatie met God, voortdurend op Hem gericht en in volmaakte fellowship met Hem.
Het is namelijk precies dit aspect dat Johannes wil dat ook wij gaan ervaren. Dat is de reden achter zijn hele Evangelie vertelling (en trouwens ook van zijn eerste brief). Hij wil dat wij geloven dat Jezus Christus de Zoon van God is en dat wij, door te geloven, het leven zullen hebben in Zijn Naam. En wat is dat leven? Het is God kennen[2]. Een persoonlijke relatie met Hem hebben, voortdurend op Hem gericht zijn en in volmaakte fellowship met Hem leven. Dat is waar Johannes ons naartoe wil brengen. Niet alleen dat we meer weten over Jezus, maar dat we Hem werkelijk leren kennen, ons leven op Hem richten en in fellowship met Hem leven.
En het startpunt hiervan is te erkennen dat Jezus de eeuwige God is die wij hebben nagelaten te aanbidden. Want van nature aanbidden we iets anders dan God. We aanbidden onszelf, onze kinderen, onze carrière, ons comfort, onze gezondheid, onze relaties, ons succes, de goedkeuring van anderen, plezier, bezittingen. Noem maar op. Er zijn zoveel goede dingen die God ons heeft gegeven, maar die wij gemakkelijk de plaats laten innemen die alleen God toekomt. De wortel van elke zonde is misplaatste aanbidding. We nemen iets wat geschapen is en geven het de plaats die aan de Schepper toebehoort. De vraag is daarom niet óf we aanbidden, maar wát we aanbidden. En juist daarom vertelt Johannes ons zo doelbewust wie Jezus is. Alleen als Jezus werkelijk God is, kan Hij God volmaakt aan ons openbaren. Alleen als Jezus werkelijk God is, kan Hij zondaars volledig redden. En alleen als Jezus werkelijk God is, is Hij onze volledige en onvoorwaardelijke trouw waardig. Als Jezus werkelijk God is, dan is Hij niet iemand die slechts een plekje in ons leven verdient. Dan komt Hij op de plaats die alleen Hem toekomt: het centrum van onze aanbidding.
Dus laat me je vragen: wat houdt je gedachten het meest bezig? Wat ben je het meest bang om te verliezen? Waar vertrouw je op voor je veiligheid? Wat zou je verwoesten als God het van je zou wegnemen? Waar richt jij je leven omheen? Deze vragen leggen bloot wie of wat er op de troon van ons hart zit. Want datgene waarvan we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat we zonder zouden kunnen leven, datgene wat onze diepste verlangens en onze diepste angsten beheerst, kan gemakkelijk het voorwerp van onze aanbidding worden. Maar Johannes brengt ons hier oog in oog met Jezus en stelt ons daarmee voor een keuze. Gaan we Hem alleen bewonderen, of gaan we Hem aanbidden? En als Jezus werkelijk God is, dan eist Hij de troon op, roept Hij ons tot volledig vertrouwen, en volledige overgave en gehoorzaamheid. Dus de vraag vanmorgen is niet alleen: wie is Jezus? De vraag is ook: wie zit er op de troon van jouw hart? Welke aanbiddingskeuze maak jij vandaag?
JEZUS IS DE SCHEPPER ZONDER WIE WE HEBBEN GEPROBEERD TE LEVEN (3)
“3Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is.” (Joh. 1:3)
Nu Johannes heeft vastgesteld dat Jezus de eeuwige God is, gaat hij in vers 3 verder met zijn tweede punt: Jezus is de Schepper zonder Wie wij hebben geprobeerd te leven.
Johannes had vers 3 niet alomvattender kunnen maken: alle dingen zijn door Hem ontstaan. Denk er eens over na wat dat betekent. Elke ster aan de hemel. Elk sterrenstelsel, ver voorbij wat onze ogen ooit kunnen zien. Elke berg, oceaan, boom en grassprietje. Alles dat vliegt en alles dat zwemt. Ieder mens die ooit heeft geleefd. Elke ademhaling die je ooit hebt genomen. Alles wat zichtbaar en onzichtbaar is. Alles in de hemel en alles op de aarde. Alles wat bestaat omdat het tot stand is gebracht, is door Hem ontstaan. En dan komt de clou: er is niets in de hele schepping dat onafhankelijk van Jezus bestaat. Er is niets dat zijn bestaan aan zichzelf te danken heeft. Alles wat bestaat, bestaat omdat Jezus het heeft voortgebracht. Paulus zegt het overduidelijk in Kolossenzen 1:16-17, “16Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn […]; alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. 17En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem.”
Denk eens na over wat dat betekent! Als iets tot bestaan is gekomen, dan is het Woord verantwoordelijk voor het bestaan ervan. Er is de Schepper, en er is de schepping. Er is geen derde categorie. En het Woord is hier overduidelijk Schepper, niet schepping. En juist daarom is vers 3 zo’n belangrijk vervolg op vers 1. Johannes maakt een glashelder onderscheid tussen het Woord dat er altijd al was, en alles wat door Hem tot bestaan is gekomen. De schepping had een begin; het Woord niet. Al het andere kwam tot bestaan; het Woord bestond al. Al het andere is afhankelijk van Hem; Hij is voor Zijn bestaan van niets en niemand afhankelijk. En het Woord is ook geen mindere of secundaire Schepper. Het feit dat de schepping dóór Hem tot stand is gekomen, betekent niet dat Hij inferieur is aan de Vader, alsof de Vader de echte Schepper zou zijn en de Zoon slechts een instrument dat de Vader gebruikt om te scheppen. Integendeel: de Schrift presenteert de Vader en de Zoon steeds opnieuw samen in het scheppingswerk[3]. Het Woord maakt dus geen deel uit van de schepping om God vervolgens te helpen de rest van de schepping te maken.
Het Woord is de Schepper door wie de hele schepping tot stand is gekomen. En dat maakt het ineens heel persoonlijk voor ons. Want als Jezus degene is door wie alles bestaat, dan hebben wij ons bestaan aan Hem te danken, en kunnen we ons eigen leven niet los van Hem begrijpen. Je hebt jezelf geen leven gegeven. Je bent niet zelfvoorzienend, en je kunt je eigen bestaan ook geen moment zelfstandig in stand houden zonder Hem. Elke ademhaling is afhankelijk van Hem. Elk vermogen dat je bezit, is een geschenk van Hem. Ieder moment dat je gegeven wordt berust op Zijn ondersteunende kracht. Je leeft niet uit jezelf. Je bestaat niet uit jezelf. Je wordt niet door jezelf in stand gehouden. Van het eerste moment van je bestaan tot de laatste ademhaling ben je volledig afhankelijk van Jezus.
En toch is het onze natuurlijke neiging om te leven alsof we onafhankelijk zijn van Hem. We ontvangen graag de goede gaven van de schepping, terwijl we de Schepper negeren. We willen leven, plezier, succes, veiligheid en vrijheid, maar liefst wel op onze eigen voorwaarden. Misschien willen we zelfs dat Jezus ons redt, maar tegelijkertijd verzetten we ons tegen de heerschappij van Jezus. We willen de zegeningen van de Schepper, zonder ons aan de Schepper te onderwerpen. Maar degene die jou en mij heeft geschapen, heeft ook het rechtmatige gezag over jou en mij. Hij hoeft niet met Zijn schepping te onderhandelen over eigendom. Jij en ik behoren Hem toe.
Het Evangelie is daarom geen uitnodiging om Jezus toe te voegen aan een leven dat we verder alleen wel af kunnen. Het Evangelie is een oproep om terug te keren naar degene aan wie jouw leven altijd al heeft toebehoord. De vraag is dus niet alleen: geloof je in Jezus? De diepere vraag is: ben jij bereid je over te geven aan degene die jou gemaakt heeft? Want als Schepper heeft Jezus het recht om over Zijn schepping te regeren. En dat geldt ook voor jou en mij. Dus laat me je vragen: welk deel van je leven probeer je nog steeds zelf onder controle te houden? Waar zeg je misschien, bewust of onbewust: Jezus, hierover gaat U niet? Waar wil je wel Zijn hulp, maar niet Zijn heerschappij? Jezus is niet alleen degene die jou kan redden. Hij is degene aan wie je toebehoort.
JEZUS IS HET LEVEN EN HET LICHT DAT WE VOORTDUREND AFWIJZEN (4-5)
“4In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen. 5En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.” (Joh. 1:4-5)
Johannes gaat nu van de schepping in vers 3 naar iets dat nog persoonlijker is in vers 4-5: Jezus is het leven en het licht dat we voortdurend afwijzen.
In vers 3 zagen we dat alle dingen tot bestaan kwamen door het Woord. En nu zegt Johannes: “In het Woord was het leven.” Johannes bouwt zijn gedachte stap voor stap op. Als eeuwige God geeft het Woord bestaan aan de schepping. Maar het Woord is niet alleen de oorsprong van alles wat bestaat, Hij is ook de bron van het leven zelf. Het leven is in Hem. Het leven behoort Hem toe. Alles wat leeft, is uiteindelijk van Hem afhankelijk. Elke hartslag, elke ademhaling, en ieder moment van ons bestaan komt van degene die Zelf de bron van het leven is. En dit is één van de grote thema’s dat we door het hele Evangelie heen zullen tegenkomen: leven en verlossing. Jezus zal spreken over eeuwig leven, over de opstanding en over geestelijk leven. En uiteindelijk zal Hij over Zichzelf zeggen: Ik ben het leven. Dus wanneer Johannes zegt: ‘In Hem was het leven,’ vertelt hij ons iets fundamenteels: als we willen begrijpen wat het ware leven is, moeten we naar Christus kijken. Het leven dat wij zoeken, het leven dat werkelijk leven is, vinden we niet los van Hem, maar in Hem.
Dit is belangrijk, omdat wij als mensen sinds de zondeval onder de macht van de dood staan[4]. We leven in een wereld waarin uiteindelijk alles sterft. Lichamen worden ouder en zwakker. Onze kracht neemt af. En zelfs de schepping zelf zucht onder de gevolgen van de zonde[5]. We proberen ons leven wanhopig vast te houden. We proberen de dood zo lang mogelijk op afstand te houden, maar uiteindelijk kunnen we er niet aan ontsnappen. En juist hier laat Johannes ons kennismaken met degene in wie het leven te vinden is. Degene door wie de schepping tot stand kwam, is ook degene door wie God leven brengt aan een gevallen mensheid. Het Woord dat aan het begin het leven gaf aan de schepping, is het Woord dat gekomen is om leven te brengen aan alle mensen die door de zonde de dood tegemoet gaan.
En dan zegt Johannes, “het leven was het licht van de mensen.” Leven en licht zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Christus geeft ons niet alleen het bestaan, Hij geeft ons ook het licht waardoor we werkelijk kunnen zien. Zijn licht openbaart God. Zijn licht openbaart de waarheid. Zijn licht legt onze zonde bloot en wijst ons de weg naar het leven. Zonder Christus hebben we niet simpelweg een gebrek aan informatie, maar bevinden we ons in de duisternis. Zonde beïnvloedt namelijk niet alleen wat we weten, maar ook wat we liefhebben, waarnaar we verlangen en wat we bereid zijn te ontvangen. We kunnen intelligent zijn en toch de waarheid verwerpen. We kunnen veel kennis hebben en toch God afwijzen. We kunnen de wereld om ons heen begrijpen en toch blind zijn voor degene die ons gemaakt heeft. Daarom is het licht van Christus meer dan intellectuele verlichting. Het is niet alleen dat Hij ons meer informatie geeft. Het is Gods openbaring die doorbreekt in onze duisternis. Christus laat ons zien wie God is, wie wij zijn en waar het ware leven te vinden is.
Johannes zegt in vers 5 dat het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis het niet heeft begrepen. En die duisternis is in dit Evangelie een beeld van zonde, ongeloof, rebellie, blindheid en verwerping van God. Toch is de duisternis niet gelijk aan het licht. De duisternis kan het licht weerstaan, maar kan het niet overwinnen. Het kan Jezus verwerpen, zich tegen Hem verzetten en Hem zelfs doden, maar kan Hem niet uitdoven. Het kruis leek het moment te zijn waarop de duisternis had gewonnen. Jezus werd verworpen, veroordeeld, gekruisigd en begraven. Het leek alsof het licht was gedoofd en de duisternis het laatste woord had, maar het Licht bleef schijnen. De opstanding maakte zichtbaar wat Johannes hier al verkondigt. De duisternis heeft het niet begrepen. Het woord in de grondtekst hier vertaald als ‘begrepen’ heeft een bredere omvang van betekenissen. We kunnen het op drie manieren lezen. Zoals hier, de duisternis heeft het niet begrepen. Oftewel, de duisternis kon het Licht intellectueel niet bevatten. Een tweede optie is dat de duisternis geen vat kreeg op het Licht. Oftewel, de duisternis probeert het Licht te grijpen, maar het lukt niet. En de derde dat de duisternis het Licht niet heeft overwonnen. Oftewel, het kan het niet onderdrukken of uitdoven. Deze laatste is het meest gangbaar, vanwege de beeldspraak van schijnen versus uitdoven. Het licht van Christus blijft schijnen, zelfs midden in de diepste duisternis.
En dit confronteert ons met een diep persoonlijke vraag: waar zoek je het leven? We proberen voortdurend leven te vinden in aardse dingen. In prestaties, bezittingen, plezier, relaties, goedkeuring, comfort, controle en succes. En hoewel goede gaven van God, kunnen ze ons niet het leven geven waar onze ziel voor gemaakt is. We proberen een geestelijke honger te stillen met aardse dingen, maar uiteindelijk blijven we leeg. We zoeken leven op plaatsen waar het niet te vinden is. Johannes wijst ons daarom terug naar Christus, want in Hem is het leven. Het ware leven vinden we niet door onze duisternis te ontvluchten, maar door in Zijn licht te komen. Laten we dus met al onze duisternis bij Hem komen, want in Zijn aanwezigheid zal Zijn licht ons genezen. Zijn waarheid confronteert om te redden. Zijn leven overwint de dood. En zelfs wanneer de duisternis overweldigend aanvoelt, wanneer onze zonde ons aanklaagt, wanneer omstandigheden uitzichtloos lijken of wanneer we niet meer weten hoe verder, houd dan vast aan deze belofte uit vers 5: de duisternis heeft het Licht niet overwonnen. Het Licht schijnt nog steeds. En waar Christus komt, kan de duisternis nooit het laatste woord hebben.
CONCLUSIE
Hier is de conclusie van deze openingsverzen van Johannes: Jezus is het Woord, de eeuwige God, de Schepper van alle dingen, de bron van het leven en het onoverwinnelijke Licht dat de duisternis van deze wereld binnentreedt. Voordat Johannes ons vertelt wat Jezus doet, vertelt hij ons eerst wie Jezus is. Voordat Jezus een wonder verricht, is Hij de Schepper. Voordat Hij Lazarus opwekt, is Hij het Leven. Voordat Hij Zichzelf verklaart tot het Licht van de wereld, is Hij al het Licht. En voordat het kruis lijkt te bewijzen dat de duisternis heeft gewonnen, heeft Johannes ons al verteld dat de duisternis Hem niet kan overwinnen.
En dit vraagt om een reactie. Johannes roept ons op om Hem te aanbidden. Johannes roept ons op om volledig afhankelijk van Hem te leven. Johannes roept ons op om te stoppen met ons te verbergen en in het licht te komen. Want Hij die vóór de schepping al bestond, staat nu voor ons. De eeuwige God is Zijn schepping binnengegaan. De Schepper is gekomen om Zijn schepping te redden. De bron van het leven is gekomen om leven te geven aan ons mensen die geestelijk dood zijn. De vraag is daarom niet alleen: “Begrijp je wie Jezus is?” De vraag is: Zul je Hem aanbidden? Zul je je aan Hem onderwerpen? Zul je het leven dat alleen Hij kan geven van Hem ontvangen? Zul je je duisternis niet langer verbergen, maar die in Zijn licht brengen? Want het Goede Nieuws is dit: het Licht schijnt nog steeds. Zonde, schuld, angst, lijden en zelfs de dood kunnen Hem niet overwinnen. De duisternis heeft het laatste woord niet. Daarom: kom tot Christus. Vertrouw Hem. Aanbid Hem. Ontvang Hem. Want het Licht schijnt nog steeds. De duisternis heeft het Licht niet overwonnen.
Laten we bidden.
[1] “John’s wording here is beautifully compact! It is, in fact, one of the most elegantly terse theological statements one could ever find.” ~ Daniel B. Wallace, quoted in William D. Mounce’s Basics of Biblical Greek Grammar
[2] Joh. 17:3
[3] Vader: Gen 1:1; Gen 2:7; Ps. 96:5; Ps. 102:25; Jes. 44:24; Jes. 45:12; 1 Kor 8:6; Efe. 3:9 // Zoon: Joh. 1:1–3, 10; 1 Kor. 8:6; Kol. 1:16–17; Heb. 1:2, 10–12 // Geest: Gen 1:2; Job 26:13; Job 33:4; Ps. 104:30
[4] Rom. 6:23
[5] Rom. 8:22