2026.0913 –Wanneer Het Licht Komt
Johannes #2
Johannes 1:6-13
[CC Haarlemmermeer, 13 september 2026]
Alle Schriftreferenties zijn genomen van de Herziene Statenvertaling (HSV), tenzij anders aangegeven
INTRODUCTIE
Sla alsjeblieft je Bijbel open Johannes hoofdstuk 1. Vorige week zagen we wie Jezus is. Johannes gaf ons een antwoord dat nauwelijks beter had kunnen zijn. Jezus is het eeuwige Woord en werkelijk God, in persoon onderscheiden van de Vader, en in een persoonlijke relatie met God, voortdurend op Hem gericht en in volmaakte fellowship met Hem. Jezus is de Schepper door wie alles wat bestaat tot stand is gebracht. Hij is de bron van het leven zelf, en dat leven was het licht van de mensen. En Johannes sloot af met de woorden: het Licht schijnt in de duisternis.
Vandaag gaan we een stap verder. Wat gebeurt er als dat Licht daadwerkelijk in de wereld komt? Want als het Licht zichtbaar maakt wat verborgen was. We denken misschien dat ons grootste probleem is dat we te weinig weten. Als we maar meer informatie, meer bewijs of meer antwoorden hadden, zouden we misschien wel geloven. Maar wat als het probleem dieper ligt? Wat als de duisternis niet alleen om ons heen is, maar ook in ons? Johannes laat ons zien wat er gebeurt wanneer het Licht komt, en vooral wat er met ons gebeurt wanneer we Hem ontmoeten. Dan kunnen we namelijk niet neutraal blijven, en komt de onherroepelijke vraag wat het met ons doet.
Laten we samen onze tekst voor vandaag lezen en ontdekken wat er gebeurt wanneer het Licht in de duisternis komt.
“6Er was een mens door God gezonden; zijn naam was Johannes. 7Hij kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. 8Hij was het licht niet, maar was gezonden om van het licht te getuigen. 9Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht. 10Hij was in de wereld en de wereld is door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend. 11Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; 13die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.” (Joh. 1:6-13)
Laten we bidden.
KIJK NAAR JEZUS, NIET DE GETUIGE (6-8)
“6Er was een mens door God gezonden; zijn naam was Johannes. 7Hij kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. 8Hij was het licht niet, maar was gezonden om van het licht te getuigen.” (Joh. 1:6-8)
Vers 6 voelt bijna als een onderbreking. Na die bijna adembenemende opening over wie het Woord is, worden we ineens voorgesteld aan een mens: Johannes (de Doper). Maar juist dat contrast is bewust. Johannes wil dat we het verschil goed zien. Het Woord is God en het Woord is het Licht. Johannes is een mens, door God gezonden om van dat Licht te getuigen, maar hij is zelf niet het Licht. De boodschapper is niet de boodschap. Degene die naar Jezus wijst, is niet Jezus Zelf. Hij was een mens die door God gezonden was om naar het Licht te wijzen.
Let op wat er juist niet wordt gezegd. Er wordt niet gezegd dat Johannes onbelangrijk of overbodig was. Integendeel: hij was door God gezonden om te getuigen van het Licht. Zijn hele bediening was erop gericht Jezus zichtbaar te maken. Verderop horen we Johannes zelf zeggen[1]: “Hij moet meer worden, maar ik minder.” Dat is de kern van zijn roeping. Het ging er niet om dat mensen naar hem keken, maar dat mensen dóór hem naar Jezus keken. Denk aan een reflector. Een reflector kan helder zijn en duidelijk zichtbaar worden, maar het licht komt niet uit zichzelf. Zijn doel is om het licht dat erop valt terug te kaatsen en onze blik ergens anders naartoe te leiden. Dat is Johannes. Hij schijnt, maar hij is niet het Licht. Hij spreekt, maar hij is niet het Woord. Hij wijst, maar hij is niet Degene naar wie hij wijst. En dat onderscheid is niet alleen belangrijk om Johannes te begrijpen. Het is ook belangrijk voor hoe wij ons christelijk leven begrijpen. Want uiteindelijk draait het christelijk leven niet om hoe goed onze getuigenis is, maar om het Licht naar Wie ons getuigenis wijst.
Johannes zegt dat hij kwam “tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden.” Johannes is het middel, maar Jezus is het doel. Mensen luisteren naar Johannes om te gaan geloven, maar het is niet de bedoeling dat ze in Johannes geloven. Het is de bedoeling dat ze geloven in Degene die Johannes aankondigt. En juist dat kunnen ook wij gemakkelijk uit het oog verliezen. We kunnen gefascineerd raken door de getuige. We kunnen gehecht raken aan een prediker of een bepaalde leraar bewonderen. We kunnen gepassioneerd raken over een kerk, denominatie, theologische traditie, aanbiddingsstijl of christelijke persoonlijkheid. Op zichzelf hoeft daar niets verkeerds aan te zijn, maar het wordt verkeerd wanneer de getuige de plaats van het Licht inneemt. Een prediker kan je naar Jezus wijzen, maar de prediker is niet Jezus. Een kerk kan Christus trouw verkondigen, maar de kerk is niet Christus. Een theologische traditie kan ons helpen de Schrift te begrijpen, maar de traditie is niet de Schrift zelf. Een christelijke ervaring kan ons bemoedigen, maar die ervaring is niet het Evangelie. We kunnen beginnen door naar de getuigenis van Christus te kijken, maar gaandeweg onze blik richten op de getuige zelf. En als dat gebeurt, is er iets wezenlijks misgegaan. Want het christelijk geloof zegt uiteindelijk niet: “kijk eens naar deze indrukwekkende christen, kerk of traditie.” Het zegt: “kijk naar Christus.”
Dus wat zien mensen wanneer ze naar ons christelijk leven kijken? Zien ze hoe deskundig we zijn? Onze morele integriteit? Hoeveel we van de Bijbel weten? Hoe toegewijd we zijn aan onze kerk? Onze discipline? Hoeveel we voor God hebben gedaan? Of zien ze iets anders? We kunnen de juiste dingen zeggen. We kunnen trouw dienen. We kunnen onze theologie kennen. We kunnen actief zijn in de gemeente. We kunnen zelfs over Jezus vertellen. En toch kan ons hart, misschien zonder dat we het zelf doorhebben, zeggen: “Kijk naar mij. Kijk naar mijn kennis. Kijk naar mijn moraliteit. Kijk naar mijn toewijding. Kijk naar mijn bediening. Kijk eens hoeveel ik veranderd ben. Kijk eens wat ik heb bereikt.” Maar Johannes noch wij zijn het Licht. We zijn getuigen.
Waarom zijn we zo geneigd om de aandacht op onszelf te vestigen? Waarom willen we dat mensen ons bewonderen? Waarom willen we zo indrukwekkend lijken? Het antwoord is dat we van nature onze eigen betekenis willen vestigen. We willen iemand zijn. We willen geaccepteerd en gewaardeerd worden. En zo kunnen we onze identiteit gaan bouwen op het feit dat we een goede christen zijn: dat we onze Bijbel kennen, de juiste dingen geloven, naar de kerk gaan en daar dienen. En al die dingen kunnen oprecht waar zijn. Maar wanneer we daar onze identiteit op bouwen, hebben we Christus vervangen. Johannes wijst ons ergens anders op. Onze identiteit komt uiteindelijk niet voort uit hoe indrukwekkend wij als getuige zijn. Onze hoop is niet gebaseerd op hoe goed we presteren. Onze aanvaarding door God is niet gebaseerd op hoe trouw we dienen. De uitdaging is daarom niet om ons leven zo helder mogelijk te laten schijnen, maar om zo te leven dat het ware Licht door ons heen zichtbaar wordt.
De oplossing is niet dat we meer zoals Johannes moeten worden. De oplossing is dat we naar Jezus kijken, en dat we anderen op Jezus wijzen omdat wij zelf naar Jezus kijken. “Wees navolgers van mij, zoals ik navolger van Christus ben[2],” zegt Paulus. Wij zijn niet de held van ons getuigenis. We willen mensen niet vol verwondering achterlaten over ónze verandering. We willen dat ze door ons getuigenis Jezus zien: als God, Schepper en Redder, die ons heeft veranderd. We willen dat mensen Jezus zien, die zondaren tot bekering roept en genade schenkt. En hetzelfde geldt voor ons als gemeente. Wij zijn niet de bestemming. Alles wat we doen en organiseren is niet de bestemming. Als gemeente zijn we er om elkaar en anderen te helpen Jezus te ontmoeten. Het christelijk leven is uiteindelijk niet gemeente-centrisch, maar Jezus-centrisch. Het doel is niet om zoveel mogelijk samen te doen of aan zoveel mogelijk activiteiten mee te doen. Het doel is om steeds meer op Jezus te lijken, zodat het Licht van Jezus steeds meer door ons heen zichtbaar wordt. En als alles wat we als gemeente doen en organiseren daaraan bijdraagt, dan is dat goed. Maar het doel blijft hetzelfde: Kijk naar Jezus.
Dus de vraag is eenvoudig: als mensen naar jouw christelijk leven kijken, zien ze dan vooral jou, of help je hen om Jezus te zien? Als volgers van Jezus zullen we opvallen. Dat is niet verkeerd. De vraag is: wanneer we opvallen, hoeveel van Jezus zien mensen dan in ons? Want ook wij zijn gezonden om van het Licht te getuigen. Dat is onze roeping.
WE HEBBEN HEM NIET GEKEND NOCH AANGENOMEN (9-11)
“9Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht. 10Hij was in de wereld en de wereld is door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend. 11Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Joh. 1:9-11)
Na dit intermezzo van drie verzen over de getuige richt Johannes nu onze aandacht weer op Degene van wie Johannes kwam getuigen. De getuige treedt naar de achtergrond en de focus komt weer te liggen op het Licht Zelf. En Johannes zegt: “Dit was het waarachtige licht.” Niet zomaar een licht. Niet één licht tussen vele andere. Niet één mogelijke bron van geestelijke verlichting naast alle andere. Nee, het waarachtige Licht. Het echte, het werkelijke Licht. Het Licht dat werkelijk kan geven wat wij nodig hebben. Wij zoeken betekenis, zekerheid en vervulling in prestaties, bezit, relaties, kennis, succes en zelfs religie. Maar wanneer we van deze goede dingen verwachten wat alleen Christus kan geven, zullen ze ons nooit werkelijk het leven, de vergeving, de waarheid en het eeuwige leven geven waarnaar we verlangen. Daarom zegt Johannes: er is één waarachtig Licht. En dan komt het wonderlijke: dit Licht kwam naar de wereld. Denk daar eens over na. Het Licht bleef niet op afstand. God stuurde niet alleen een boodschap vanuit de hemel. Hij stuurde niet slechts iemand die ons over het Licht moest vertellen. Het Licht Zelf kwam. Het Woord kwam Zelf. God kwam Zelf, in deze wereld, om ieder mens te verlichten.
En dan geeft Johannes ons een van de grootste tragedies van het Evangelie: “Hij was in de wereld en de wereld is door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend.” Sta hier eens bij stil. De wereld is door Hem gemaakt, en de Schepper is Zelf in die wereld gekomen, maar Zijn eigen schepping herkende Hem niet. De Schepper van onze ogen stond voor ogen die Hem niet zagen. De Schepper van onze oren sprak tot oren die Hem niet hoorden. De Schepper van de mens kwam als mens in Zijn schepping, en de mens herkende Hem niet. Dat is de tragedie die Johannes ons wil laten voelen. Het probleem is niet dat God Zich niet heeft geopenbaard. Het probleem is niet dat Christus te verborgen is om gevonden te worden. En het probleem is ook niet dat de mensheid meer informatie nodig heeft. Het Licht is gekomen, maar de mensheid herkent Hem niet. Dat is wat zonde doet. Zonde maakt ons niet alleen onwetend; zonde buigt ons hart van God af. Het beïnvloedt wat we willen, wat we liefhebben en wat we bereid zijn te erkennen. We kunnen in de aanwezigheid van het Licht staan en toch weigeren te zien. Het Licht is er. Maar wij willen het niet zien. De duisternis verwelkomt het Licht niet vanzelfsprekend.
Het woord dat Johannes hier gebruikt voor ‘kennen’ betekent meer dan alleen informatie over iemand hebben. Je kunt veel over iemand weten zonder die persoon werkelijk te kennen. Je kunt veel over iemand weten, en toch geen enkele relatie met hem hebben. Maar Johannes spreekt hier over iets veel diepers: de wereld herkent Jezus niet voor Wie Hij werkelijk is. Het probleem is dus niet eenvoudigweg een gebrek aan informatie. Het is dat wij niet willen leven in het licht van wat God ons heeft laten zien. We willen zelf bepalen hoe de werkelijkheid eruitziet, zelf beslissen wat goed en kwaad is, zelf bepalen waar ons leven betekenis uit haalt, zelf onze identiteit bepalen, en zelf bepalen welke plaats God in ons leven mag innemen en hoeveel gezag Hij over ons heeft. En wanneer Jezus komt, confronteert Hij dat allemaal. Jezus komt niet alleen om ons wat nuttige informatie over God te geven. Hij komt niet alleen om ons iets nieuws over God te leren. Hij komt als God Zelf. Hij zegt: Ik ben jullie Schepper. Ik ben jullie Heer. Ik ben het Licht. En juist dat is wat voor ons natuurlijke, zondige hart zo moeilijk te aanvaarden is. Het probleem is niet dat het Licht niet gekomen is. Het probleem is dat wij niet willen erkennen.
Maar Johannes gaat in vers 11 nog een stap verder. De tragedie wordt nog groter: “Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Hier richt Johannes zich in het bijzonder op Israël. Zij hadden de Schriften. Zij hadden Gods beloften. Zij hadden de profeten. Zij hadden eeuwenlang uitgezien naar de komst van de Messias. God had hen voorbereid op Zijn komst. En toen Hij kwam, namen zij Hem niet aan. De beloofde Messias stond midden tussen het volk dat eeuwenlang op Hem had gewacht, en zij verwierpen Hem. Maar het zou te gemakkelijk zijn om met de vinger naar het Joodse volk van de eerste eeuw te wijzen. Want Johannes laat ons hier niet alleen naar hen kijken, maar naar onszelf kijken. Want dit is niet alleen een probleem van toen. Het is een probleem van het menselijk hart. Je kunt Gods Woord kennen, Zijn beloften kennen, over Jezus horen en zelfs weten Wie Hij is, en toch weigeren Hem aan te nemen. Het probleem is niet alleen of wij genoeg over Jezus weten. De vraag is of wij Hem werkelijk erkennen en ontvangen als onze Schepper, onze Heer en ons Licht.
Dus waarom verzetten we ons zo tegen het Licht? Omdat het Licht de waarheid onthult. Als je een donkere kamer binnenloopt en het licht aandoet, zie je ineens wat er werkelijk is. Geestelijk doet Jezus hetzelfde. Zijn Licht legt bloot wat we liever verborgen houden: onze trots en zelfingenomenheid, ons egoïsme en onze hebzucht, onze bitterheid en ons onvergevingsgezinde hart, ons verlangen naar controle en onze vastberadenheid om zelf te bepalen wat goed en kwaad is. En daarom kunnen we Jezus enerzijds wel willen en Hem anderzijds toch weerstaan. We willen graag dat Jezus ons vergeeft, ons troost, ons vrede geeft en ons helpt in ons huwelijk, met onze kinderen en in de moeilijkheden van ons leven. Maar wat gebeurt er wanneer Jezus zegt: “Geef dit nu aan Mij over”? Wat gebeurt er wanneer Zijn Woord ons confronteert met iets wat we niet willen veranderen? Wanneer Jezus dat deel van ons leven aanraakt waarvan we hebben gezegd: “Heer, alles, behalve dit.” Dan wordt iets zichtbaar van wat er werkelijk in ons hart leeft. Misschien is ons diepste probleem daarom niet: “Ik weet niet wat Jezus wil.” Misschien is het: “Ik wil niet dat Jezus gezag heeft over dit deel van mijn leven.” Dat is de duisternis. Het probleem is niet simpelweg dat we niet kunnen zien. Soms is het probleem dat we niet willen zien.
We moeten vers 11 dus niet alleen zien als een uitspraak over hen toen, maar als een vraag aan ons vandaag. Waar maakt Jezus je ongemakkelijk? Waar confronteert Zijn Woord je? Waar verzet je je tegen Hem? Waar betrap je jezelf erop dat je zegt: “Heer, alles, behalve dit”? Misschien gaat het over je geld, je relaties, je carrière of je reputatie. Misschien over bitterheid die je niet wilt loslaten, je verlangen om alles onder controle te houden, of je vasthoudendheid om gelijk te hebben. Misschien weet je heel veel over Jezus, ken je Zijn Woord goed, kun je theologie haarfijn uitleggen en ga je al jaren trouw naar de kerk. Maar de vraag is: herken ik Hem voor Wie Hij is? En als ik Hem herken als het Licht, ontvang ik Hem dan ook als Heer? Want het is mogelijk om heel dicht bij het Licht te zijn en je er toch tegen te verzetten. Israël had de Schrift. Ze hadden de beloften. Ze hadden het religieuze systeem. Ze wachtten op Gods verlossing. En toch, toen de Verlosser kwam, ontvingen ze Hem niet. De waarschuwing voor ons is daarom duidelijk: omringd zijn door de dingen van Christus is niet hetzelfde als Christus ontvangen. Je kunt dicht bij het Licht leven, veel over het Licht weten en toch niet willen dat het Licht over je leven heerst.
De vraag is niet alleen: “Ken ik Jezus?” maar ook: “Waar verzet ik mij tegen Hem?” Want juist daar schijnt het Licht. En wanneer het Licht iets in ons blootlegt wat we liever niet willen zien, is de verleiding groot om ons af te wenden, ons te verstoppen, onszelf te rechtvaardigen of onszelf te vergelijken met iemand die het nog veel erger doet. Maar het antwoord is niet om weg te rennen van het Licht. Het antwoord is juist om naar het Licht toe te komen. Want het wonderlijke is: het Licht is niet gekomen omdat wij onszelf zo goed kunnen redden. Het Licht is gekomen omdat wij onszelf niet kunnen redden. Omdat wij Hem nodig hebben. Daarom is de vraag niet alleen of je het Licht kunt zien. De vraag is ook: ben ik bereid mij door het Licht te laten ontmaskeren? Ben ik bereid dat Jezus laat zien wat er werkelijk in mijn hart leeft? En ben ik bereid om Hem daarin ook als Heer te ontvangen? Want de grote tragedie van deze verzen is niet dat het Licht nooit gekomen is. Het Licht is gekomen. De tragedie is dat de duisternis Hem niet erkende en de Zijnen Hem niet aannamen. Maar juist daarom klinkt het Evangelie zo hoopvol: het Licht is gekomen. En wie naar Hem toe komt, hoeft zich niet langer te verbergen.
ONTVANG HEM, EN WORDT GEBOREN UIT GOD (12-13)
“12Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; 13die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.” (Joh. 1:12-13)
Johannes heeft ons net verteld dat het Licht in de wereld kwam, maar dat de wereld Hem niet kende. Hij kwam tot de Zijnen, maar de Zijnen namen Hem niet aan. Maar dan komt de prachtige ‘maar’ van vers 12! Er is afwijzing, maar dat is niet het einde. Er zijn mensen die het Licht wél ontvangen. En Johannes vertelt ons meteen wat dat betekent: Jezus aannemen betekent in Zijn Naam geloven. Jezus aannemen is meer dan erkennen dat Hij bestaat. Het is meer dan geloven dat het christendom waar is. Het is meer dan Zijn persoon, Zijn daden en Zijn leer bewonderen. En het is meer dan trouw naar de kerk gaan. Jezus aannemen betekent in Zijn Naam geloven. Het betekent vertrouwen op de Persoon Die Hij werkelijk is. En Wie is Hij? Hij is het eeuwige Woord. Hij is God. Hij is de Schepper. Hij is het Leven. Hij is het Licht. Hij is de Messias. Hij is de Zoon van God. Hij is de Heer. Hij is de Redder. Jezus aannemen betekent dus niet alleen zeggen: “Ik geloof dat Jezus bestaat.” Het betekent: “Ik vertrouw mij toe aan Wie Jezus is. Ik erken Hem als mijn Schepper, ik onderwerp mij aan Hem als mijn Heer, ik vertrouw op Hem als mijn Redder, en ik kom tot Hem als het Licht dat mij werkelijk leven geeft.” Dat is wat Johannes bedoelt met Hem ontvangen.
Vraag jezelf daarom eerlijk af: heb ik Christus werkelijk ontvangen? Niet: “Ben ik christelijk opgevoed?” Niet: “Ga ik naar de kerk?” Niet: “Ben ik een fatsoenlijk mens?” Niet eens: “Weet ik veel over Jezus?” Maar: “Vertrouw ik Jezus Christus Zelf?” Vertrouw ik Hem als het eeuwige Woord? Als God? Als mijn Schepper? Als het Leven en het Licht? Als de Messias, de Zoon van God, mijn Heer en mijn Redder? Want uiteindelijk gaat het niet om hoe dicht je bij het christendom bent. Het gaat erom of je Christus hebt ontvangen. Niet alleen weten Wie Hij is, maar Hem vertrouwen. Niet alleen over Hem horen, maar jezelf aan Hem toevertrouwen. Niet alleen het Licht bewonderen, maar in het Licht komen.
En let dan op wat er gebeurt met degenen die Jezus aannemen: “hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden.” Dat woord macht kunnen we hier ook begrijpen als het recht, de bevoegdheid, het voorrecht om kinderen van God te worden. Maar let goed op wat Johannes daarmee níét zegt. We ontvangen niet de onafhankelijke mogelijkheid om onszelf tot kind van God te maken. We krijgen geen recht dat we zelf kunnen opeisen of verdienen. Het is een recht dat Christus geeft. Aan degenen die Hem aannemen, schenkt Hij de status en het voorrecht om tot Gods gezin te behoren. Hij neemt ons op in Zijn familie. En wat een geweldig geschenk is dat! Want daarmee krijgen we ook een nieuwe identiteit. We hoeven niet langer zelf te bepalen wie we zijn. We hoeven onze identiteit niet zelf te construeren uit wat we bereiken, wat anderen van ons vinden, wat we bezitten of hoe succesvol we zijn. Als je in Christus bent, ben je een kind van God. Punt. Niet omdat je dat hebt verdiend. Niet omdat je goed genoeg bent. Niet omdat je jezelf hebt opgewerkt tot dat niveau. Hij heeft je dat gegeven. Je behoort Christus toe. God heeft je tot Zijn kind gemaakt. En je bent gekend door Hem. Wat een rust. Wat een zekerheid. Wat een genade. Je hoeft jezelf niet meer te bewijzen. Je hoeft niet meer voortdurend je identiteit te verdienen. In Christus heb je een Vader, je behoort tot Zijn gezin en je identiteit ligt vast in Hem. Wat een ontzettend warm bad is dat.
Maar vers 13 gaat nog een laag dieper. Het legt verder uit wat er gebeurt wanneer iemand Christus ontvangt en in Zijn Naam gelooft. En Johannes maakt duidelijk dat dit uiteindelijk niet iets is wat wij zelf kunnen bewerkstelligen. Het is iets wat God geeft. Allen die Hem aangenomen hebben, die in Zijn Naam geloven, zijn uit God geboren. En Johannes maakt vervolgens heel duidelijk wat dit níét is. Hij doet dat door drie keer te zeggen waar deze geboorte niet vandaan komt. Het is niet uit bloed. Je wordt geen kind van God vanwege je familie. Niet vanwege je christelijke achtergrond. Niet omdat je ouders geloofden. Het is niet uit de wil van het vlees. Je lichamelijke geboorte geeft je lichamelijk leven, maar kan je geen geestelijk leven geven. En het is niet uit de wil van een man. Het komt niet tot stand jij het maar hard genoeg wilt. Niet door hard werken. Niet door goed genoeg te worden. Niet door onderwijs. Niet door jezelf op te knappen. Je moet uit God geboren worden.
En daarmee brengt Johannes ons bij een prachtige, maar ook belangrijke waarheid. In vers 12 zegt hij: wij ontvangen Christus en geloven in Zijn Naam. In vers 13 zegt hij: wij zijn uit God geboren. Johannes geeft ons hier geen volledige uitleg van de precieze volgorde of het mechanisme waarmee geloof en wedergeboorte met elkaar verbonden zijn. Hij probeert hier niet alle vragen over de wedergeboorte systematisch te beantwoorden. Maar één ding maakt hij volkomen duidelijk: de oorsprong van onze redding ligt niet in ons menselijk vermogen. Het komt van God. Wij ontvangen Christus. Wij geloven in Zijn Naam. En achter dat alles staat Gods genadige werk waardoor wij uit Hem geboren worden. Wat een wonder!
CONCLUSIE
Johannes heeft ons laten zien wie Jezus is: het eeuwige Woord, God Zelf, de Schepper, de bron van leven en het ware Licht. En dat Licht is in de wereld gekomen. Toch heeft de wereld Hem niet herkend en hebben de Zijnen Hem niet aangenomen. Maar aan allen die Hem wel aannamen, die in Zijn Naam geloofden, gaf Hij het recht om kinderen van God te worden. En Johannes maakt duidelijk dat dit niet iets is wat wij zelf tot stand brengen. Niet door afkomst. Niet door familie. Niet door menselijke inspanning. Zij zijn uit God geboren. Hier is geen plaats voor hoogmoed, maar alleen voor genade.
Bewonder Jezus dus niet alleen. Neem Hem aan. Weet niet alleen van Hem af. Geloof in Hem. Verschuil je niet achter je achtergrond, je kerkbezoek, je moraal of je kennis. Het Licht is gekomen. Kom naar het Licht. Vertrouw op Hem. Onderwerp je aan Hem. Ontvang Hem als je Schepper, je Heer, je Redder en je Licht.
En als je Christus hebt aangenomen, leef dan zoals God je heeft gemaakt: als Zijn kind. Zoek je identiteit dan niet langer in wat deze wereld je kan geven. Zoek je zekerheid niet in wat je bereikt, wat anderen van je vinden of wat je bezit. Je hoort bij de Vader. Wandel daarom in het Licht. Vergeef. Heb lief. Gehoorzaam. Streef naar heiligheid. En verberg het Licht niet, maar wijs anderen op Jezus. Want dat was de boodschap van Johannes: “Kijk naar Jezus.” Wij zijn niet het Licht. Wij redden niet. Wij schenken geen wedergeboorte. Dat doet God. Maar Hij heeft ons wel tot getuigen gemaakt.
Dus het Licht is gekomen. Jezus is gekomen. Hij staat voor ons. En de vraag is niet langer óf het Licht gekomen is. De vraag is: zul jij Hem aannemen?
[1] Joh. 3:30
[2] 1 Kor. 11:1