De kenmerken van kinderen van God

De kenmerken van kinderen van God

De kenmerken van kinderen van God

1 Johannes 3:1-24

Vorige week hebben we gezien dat er neppe en echte christenen zijn. Mensen die dingen zeggen die niet kloppen met Gods Woord en mensen die zich juist vasthouden aan Gods Woord. Het verschil zit in de zalving met de Geest (1 Johannes 2:20) en de uitwerking daarvan op ons leven.

Vandaag gaan we zien dat de echte christen een kind van God is. Kinderen lijken op hun ouders, dus zo geldt dat ook voor de christen. We horen meer en meer te gaan lijken op onze hemelse Vader. We gaan naar ‘kenmerken van een kind van God’ kijken.

Specifiek gaan we zien 1) de toekomstbelofte voor Gods kinderen (v1-2), 2) het kind van God en zonde (v3-9), en 3) Gods kinderen onderling (v10-24).

  1. De toekomstbelofte voor Gods kinderen (v1-2)
Toon volledige notities

Johannes snapt heel goed dat het niet zomaar iets is dat wij Gods kinderen genoemd worden (v1). Hij ziet dat het echt een geweldig voorrecht is om Zijn kind te zijn, want Hij is de hemelse, perfecte Vader. God geeft zo ontzettend veel liefde aan ons, het is niet te bevatten.

  • Hij accepteert ons in Zijn familie, terwijl wij daar echt niks voor gedaan hebben. Wij deden Hem pijn door onze zonde en Hij gaf aan ons te willen adopteren. Wij spuugden Hem in het gezicht en Hij betaalde de prijs die nodig was om ons te adopteren. Hij doen Hem nog dagelijks pijn door de dingen die we doen en toch blijft Hij van ons houden.
    • Dat is niet te bevatten, dat is liefde die wij niet kennen of voor mogelijk houden. En dat is de liefde waarmee God ons liefheeft, dat is de liefde die God voor jou en mij heeft. Dit is wie wij mogen zijn als we Zijn aanbod aannemen.
    • De wereld kent en snapt dit niet. De wereld zal ons niet meer herkennen zodra we Gods kinderen geworden zijn. We zullen anders zijn, andere dingen doen, andere prioriteiten hebben. De wereld kent ons niet meer, leert ons niet meer kennen zoals voorheen.
      • God wil dat ieder mens Zijn kind wordt. Hij wil dat wij allemaal bij Hem komen en als Zijn kind bij Hem op schoot kruipen. God houdt van ieder mens, dus ook van jou. Hij wil jou nu aannemen als Zijn kind.

De toekomstige situatie voor de christen, is ook een geweldige (v2). Johannes pakt door op wat hij in H2:27-29 ook gedaan heeft. Hij keek daar van het hier naar de toekomst. Dat is wat hij hier ook doet, “nu zijn wij kinderen van God”, de toekomst is als volgt:

  • We weten dat dingen in de hemel anders zijn dan hier. De omschrijving van Johannes van hoe dingen in de hemel zijn (Openbaring), is heel anders dan hoe dingen op aarde zijn. De hemel is de plek waar alle mensen heen gaan die Jezus’ offer aan het kruis hebben aangenomen. Op deze plek zullen alle mensen anders eruit zien, we zullen een ander lichaam hebben. 1 Korinthe 15:35-49 spreekt uitgebreid over dit nieuwe lichaam.
    • Johannes zegt tegen de christen, in de hemel zul je aan God gelijk zijn in de zin van dat je een verheerlijkt lichaam zult hebben. Jezus Christus, God Zelf, had een verheerlijkt lichaam nadat Hij uit de dood was opgestaan. Hij kon door muren heen; Hij kon op plekken zomaar verschijnen (Johannes 20:19); het is een lichaam van vlees en beenderen, niet vlees en bloed (Lukas 24:39);etc.

Filippenzen 3:20-21 “Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam, overeenkomstig de werking waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen.”

  • Op die manier zullen wij aan God gelijk zijn. Het is niet zo dat wij God zullen zijn, dat wij alles zullen weten en kunnen zoals God.

We mogen aangenomen worden als Gods kind en we hebben een geweldige toekomst voor ons liggen. Het zijn van Gods kind heeft alleen maar voordelen, een beter hier en nu, een fantastische toekomst.

  1. Het kind van God en zonde (v3-9)

Door deze brief heen zien we dat omgaan met zonde een terugkerend fenomeen is. In dit leven hier op aarde zullen we altijd zonde tegen komen. In Romeinen 7:24 roept Paulus het uit over dat hij verlost wil worden van het lichaam van de dood. Hij bedoelt daarmee dat hij de zonde letterlijk met zich meedraagt, zijn lichaam werkt tegen in de strijd tegen de zonde.

  • Ieder mens is zondig, jij en ik. Ieder mens komt de strijd tegen de zonde elke dag tegen, of je die strijd herkent of niet. De vraag is hoe jij, zeker als je een christen bent, in die strijd staat. Johannes maakt ons duidelijk dat Gods kinderen rein horen te zijn (v3).

1 Petrus 1:15-16 “Maar zoals Hij Die u geroepen heeft, heilig is, word zo ook zelf heilig in heel uw levenswandel, want er staat geschreven: Wees heilig, want Ik ben heilig.”

Heilig is de standaard, heilig is zoals God is. Kinderen lijken op hun ouders, zo horen wij in heiligheid op onze hemelse Vader te lijken.

  • Maar, wat is ‘heilig’? Er zijn 2 soorten dingen in dit universum, dat wat God is en dat wat God niet is. Dat wat God is, is heilig, apart gezet van de rest van de dingen; dat wat God niet is, is niet heilig. Dat is wie God is, dat is het voorbeeld dat Jezus ons gaf, dat is Wie de Heilige Geest is. Dat is wat God van ons wil, rein en heilig voor Hem. Dat kan alleen door het werk van Jezus Christus aan het kruis, alleen door Zijn offer.
    • Jesaja 1:18 leert dat onze zonde ons vies maakt. Jesaja 59:2 leert dat zonde scheiding brengt tussen God en mens, omdat God heilig is en zonde dat niet is. Daarbij komt het laatste probleem, namelijk dat zonde straf verdient. Zonde is een overtreding van Gods wet (v4) en de wet overtreden verdient straf.
    • Jezus’ openbaring (v5), Zijn offer aan het kruis, betekent het volgende: toen God als rechter de straf uitsprak over onze zonde, stond Jezus op en nam de straf over. Hij droeg jouw en mijn straf, omdat Hij wel perfect is. Alles wat jij en ik fout gedaan hebben, heeft Hij gedragen, zodat wij nu bij God kunnen zijn. Wij kunnen heilig zijn door wat Jezus voor ons gedaan heeft.

In v6 zegt Johannes dat wie in Hem blijft, niet zondigt. Betekent dit dat een christen nooit meer mag zondigen? Dat op het moment dat iemand tot geloof komt, hij/zij perfect is? Nee. Paulus worstelt met zonde, we lezen over Petrus die zondigt, etc. Het gaat om zonde die iemands leven overheerst.

Warren Wiersbe: “In Christus blijven betekent dat je fellowship met Hem hebt, dat we niet toestaan dat er iets tussen ons en Christus in komt. (…) Deze fellowship weerhoud ons van het moedwillig ongehoorzaam zijn aan Zijn Woord. Iemand die bewust en uit gewoonte zondigt bewijst dat hij Christus niet kent en kan daardoor niet in Hem blijven.”

  • We horen te weten als christenen dat God rechtvaardige daden doet. Zijn kinderen horen hetzelfde te doen (v7). We laten zien dat we Hem kennen door Hem op te zoeken in gebed, in Zijn Woord, meer te leven naar Zijn wil en vooral ook door minder te zondigen. Dat kan alleen door het werk van Gods Geest in ons, maar het is wel iets dat in ons moet gebeuren.

Als iemand een leven heeft dat continue overheerst wordt door zonde, waar geen bekering is, waar geen berouw is, dan ben je in v8 aanbeland. Dan ben je iemand “Wie de zonde doet”. Johannes zet hier heel zwart-wit neer dat die persoon dan uit de duivel is, geen kind van God.

  • Zegt Johannes hier dat een christen niet mag worstelen met zonde? Nee, worstelen met zonde betekent niet dat je geen christen bent. Mag een christen nooit meer zondigen? Nee, ook dat zegt Johannes niet. Wat zegt hij dan wel?
  • Het leven van een christen moet overheerst worden door in God te blijven. Ons leven moet beheerst worden door God liefhebben, God beter leren kennen, Zijn Woord lezen en leven. Dat is wat de christen hoort te doen.
    • Als zonde je leven overheerst, dan doe je deze dingen niet. Zonde gaat namelijk in de weg zitten van het leven naar Gods wil. Het gaat wringen tussen de dingen van God en de dingen van het vlees doen.
    • Johannes wijst ons erop dat we horen te leven naar Gods wil, dat we horen te leven naar het feit dat we Gods kinderen geworden zijn. Gods kinderen horen niet overheerst of beheerst te worden door zonde, we horen beheerst te worden door God. Dat is de focus.

Gods kinderen (v9), hebben Zijn DNA meegekregen, Zijn zaad. Daarmee komen Zijn eigenschappen mee, dus ook heilig leven. Dat is de oproep van Johannes aan Gods kinderen, leef heilig, want dat is wie je bent.

De oproep aan jou, aan mij, aan elke christen is om te leven naar wie we Zijn in God. We zijn Zijn kinderen, dus we mogen ook leven in de vrijheid die dat met zich meebrengt. We hoeven niet meer onder de plak van de zonde te zitten, we kunnen in alle vrijheid genieten van God (2 Korinthe 3:17). Als jij als christen vast zit in een zonde, leg dan je leven vandaag opnieuw bij God neer. Niet om ‘tot geloof te komen’, maar om je leven opnieuw onder Gods heerschappij te brengen. Vraag God om vergeving. Niet omdat je dat nog nooit eerder echt ontvangen hebt, maar omdat je je nu beseft wat je zonde is en doet. Vraag om berouw en bekering en leef als een kind van God: heilig.

  1. Gods kinderen onderling (v10-24)

Nu we weten dat Gods kinderen te herkennen horen te zijn aan heiligheid, hoe horen Gods kinderen met elkaar om te gaan? Gods kinderen doen rechtvaardigheid hebben we gezien, maar ze hebben ook hun broeders en zusters lief. Het woord voor liefhebben, is het woord agapaō, wat afgeleid wordt van agape.

  • Dit is de liefde waarmee Jezus ons liefhad toen Hij naar het kruis ging (Romeinen 5:8). Dit is de liefde waarmee God van ons houdt, Zichzelf opofferende liefde, liefde die onvoorwaardelijk is, liefde die een keuze is.
  • Johannes had deze liefde in Jezus gezien, hij had door dat die liefde ook tussen christenen hoort te heersen. Aan de onderlinge liefde zullen we herkend worden (Johannes 13:35), specifiek deze liefde.

Deze boodschap hebben de christenen vanaf het moment van bekering gehoord, “vanaf het begin” (v11). Liefde zoals Jezus had, kunnen wij niet zomaar voor mensen hebben.

  • Johannes noemt het voorbeeld van Kaïn en Abel (v12), 2 broers die precies dezelfde opvoeding hadden. Ze waren de eerste kinderen, hadden geen slechte invloeden om zich heen en toch deed de ene rechtvaardige dingen (Abel) en de ander slechte dingen (Kaïn). Hiermee maakt Johannes het verschil duidelijk tussen de kinderen van God (Abel) en hun daden, en de kinderen van de duivel (Kaïn) en hun daden.
    • De liefde die hoort te heersen is een eigenschap van Gods kinderen. Liefde die alle verstand te boven gaat, liefde die je ook zeker niet altijd voelt. Het is een keuze, maar wel een die we elke dag moeten maken.
  • De wereld, het systeem dat God niet accepteert, zal de christen haten (v13), maar Johannes roept de christenen op om daar niet in mee te gaan. Gods liefde onderling is wat hoort te heersen, die liefde is ook het teken dat we echt “zijn overgegaan uit de dood in het leven” (v14). Liefde die de wereld niet kent, dat is een uiterlijk kenmerk van Gods werk in ons.

Tegenover deze liefde staat haat (v15), haat die de kerk niet onderling hoort te herkennen. Haat wordt door Jezus gelijk gesteld aan moord (Mattheüs 5:21-22) en moord is niet een eigenschap die bij God hoort.

  • Het verschil tussen haat en moord, is dat haat niet altijd aan de buitenkant te zien is, moord wel. Haat is een probleem van het hart, zoals elk probleem bij de mens. ‘Het hart van het probleem, is het probleem van het hart.’
    • Dat is wat Johannes hier aankaart, het gaat om het hart dat wij hebben, specifiek, is ons hart onderworpen aan God, of niet? God maakt ons een nieuwe schepping wanneer we tot geloof komen (2 Korinthe 5:17), onderdeel daarvan is een nieuw hart (Ezechiël 11:19).
    • We hebben een nieuw hart nodig, omdat ons hart ongeneeslijk ziek is (Jeremia 17:9). Dat betekent dat elk mens in staat is en geleid wordt door zijn/haar hart om zondige dingen te doen. Ons hart wil altijd dingen die niet overeenkomen met Gods Woord. Dit nieuwe hart komt van God en is door Hem gevuld met verlangens naar goede dingen. De vraag is of jij en ik leven naar het nieuwe hart dat we gekregen hebben, of naar de oude manier van doen.

In plaats van iemand anders’ leven te nemen in moord, zegt Johannes dat we moeten leren van het voorbeeld van Jezus Christus (v16). Hij stierf voor onze zonden, terwijl Hij gehaat werd door de mensen  voor Wie Hij kwam. Jezus werd bespuugd, gemarteld, uitgescholden en uiteindelijk gekruisigd door de mensen die Hij kwam redden.

  • De oproep die wij krijgen is om net zo te handelen als Jezus, maar betekent dat dat wij allemaal letterlijk moeten sterven voor de mensen om ons heen? Nee. Het betekent dat wij leven zoals Jezus dat deed, namelijk mensen op God wijzen. Dit betekent tijd maken voor, tijd doorbrengen met, eten met, broeders en zusters.
  • Dit betekent ook dingen aan je broeders en zusters geven, zeker als ze gebrek lijden (v17). Onze liefde naar elkaar hoort niet alleen in woorden te zijn, of in een hug op zondagochtend. Dat is goed, maar niet toerijkend.
  • Johannes verlegt zijn focus in v17 van “de broeders”, naar de “broeder”. God heeft oog voor het individu, dat horen wij ook te hebben. God ziet de noden van die ene persoon, zie jij die ook? God vraagt niemand om mensenmassa’s te helpen, hij vraagt van jou om die ene persoon te helpen. Ben jij bereid om die ene broeder/zuster te helpen die God op jouw pad brengt?

Galanten 6:10 “Laten wij dus, terwijl wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen, maar vooral aan de huisgenoten van het geloof.”

  • Hiervoor hebben we een hart voor mensen nodig dat niet normaal is, een hart dat op de ander gericht is, i.p.v. onszelf. Dat is alleen mogelijk door Gods werk in ons. Dit is alleen mogelijk door zelf onderworpen te zijn aan God en Zijn werk. Dus als je dit gebod van God wil opvolgen, onderwerp jezelf aan God en vraag Hem om jou hierin te leiden.

Wiersbe: “Als wij de liefde van God in ons eigen hart willen ervaren en ervan willen genieten, moeten we van anderen houden, tot en met het punt dat we dingen moeten opofferen. Onverschillig zijn richting de noden van een broeder betekent dat we onszelf beroven van iets dat wij heel hard nodig hebben: Gods liefde in ons hart. Het is een zaak van liefde of dood!”

God wil dat we op 2 manieren elkaar liefhebben: in daad en waarheid (v18).

  • Liefde hoort praktisch te zijn, dus het hoort zichtbaar te worden in wat we doen naar de broeders en zusters.
    1. Hier hoort bij dat je weet hoe de ander lief te hebben, wat vereist dat je elkaar leert kennen. In de kerk horen we elkaar steeds beter te leren kennen, waardoor we elkaar ook steeds beter kunnen dienen. Dit vereist interesse in elkaar, maar ook het openen van je leven richting elkaar.
  • Liefde hoort in oprechtheid geuit te worden. De kerk moet niet hypocriet gaan ‘liefhebben’, maar juist vanuit liefde voor God zichzelf volledig te geven aan het liefhebben van de broeder/zuster.
    1. Dit vereist een hartsgesteldheid die we alleen van God kunnen ontvangen, iets dat alleen Hij in ons kan doen. Hier hebben we het werk van Gods Geest in ons nodig, wat iets is waar we om mogen vragen.

In de laatste verzen van vandaag geeft Johannes ons 3 resultaten van het liefhebben van de broeders en zusters zoals God van ons vraagt:

  1. We zullen zekerheid/geruststelling krijgen in onze eigen relatie met God (v19-20)

Door anderen te dienen in Gods kracht, zullen we dichter naar God toe groeien. We zullen zekerheid krijgen in ons leven over Gods liefde voor ons, Gods vergeving voor ons en hoe geweldig het is dat we daarmee anderen mogen dienen.

  • Satan, de duivel, houdt ervan om ons aan te klagen. Hij houdt ervan om ons dingen in te fluisteren over dat we niet vergeven zijn, o.i.d. Door anderen te dienen gaan we Gods liefde voor ons zien, we gaan dan zien dat “God meer is dan ons hart” en dat Hij door ons Zijn liefde wil tonen. Je kunt gerustgesteld worden, door anderen te dienen.
  1. God zal onze gebeden verhoren (v21-22)

Doordat we dicht bij God moeten blijven om dit te kunnen doen, zullen we Zijn hart beter gaan leren kennen. Het Woord zegt dat als we bidden naar Zijn wil, dat we zullen krijgen waar we om vragen (1 Johannes 5:14). Het bidden naar Zijn wil zullen we doen door Zijn hart beter te leren kennen.

  • Het dienen van de ander zal ons hart meer op 1 lijn brengen met Gods hart en daardoor zullen we meer bidden naar Zijn wil. Hierdoor zullen we krijgen waar we om vragen.
  1. We zullen in Hem blijven

Elkaar liefhebben is Gods gebod aan ons (v23) en Zijn geboden doen betekent dat je in Hem blijft (v24). Het dienen van de broeder/zuster is dus niet alleen goed voor de ander, je hebt er zelf ook profijt van. Je kan dit alleen in afhankelijkheid van God doen, daarmee ga je je aan Zijn geboden houden, waardoor je in en bij Hem blijft.

Het liefhebben van elkaar is een belangrijk thema voor Johannes, maar moeten we wel zien in de context van het zijn van een kind van God. God wil wij allemaal Zijn kind worden, dat wij allemaal als Zijn kinderen leren omgaan met zonde en met elkaar. Dit is allemaal alleen mogelijk door Jezus’ offer aan het kruis, niet doordat wij iets gedaan hebben.

We vieren vandaag Heilig Avondmaal, waarmee we denken aan en blij zijn met het offer van Christus. 2000 jaar geleden kwam Hij naar de aarde om ons probleem op te lossen. Ieder mens zondigt en heeft Zijn vergeving nodig om bij God te kunnen komen. Jezus heeft jouw en mijn straf gedragen, zodat wij nu vrij bij God kunnen komen.

  • Als jij dat offer nog niet aangenomen hebt, doe dat vandaag. God houdt oneindig veel van jou, Hij wil dat jij Zijn kind bent. Jezus stierf voor jouw zonden, Hij droeg alles aan het kruis. Neem Zijn offer aan, accepteer Zijn rust, vergeving, liefde en genade. Leg in gebed je leven bij Hem neer.
  • Als je dit al wel aangenomen hebt, hoe ga jij om met zonde? Leg je dat bij het kruis neer en laat je het daar? Is er zonde die jouw leven overheerst, ga dan in gebed naar God toe en leg alles bij Hem neer.

Heb jij de broeders en zusters lief zoals God dat van je vraagt? Zie jij Gods liefde voor de ander net zo groot als voor jou? En uit jij die liefde ook? Heb jij misschien nog iets tegen een broeder/zuster en moet je dat goedmaken? Leg vandaag ook dit bij God neer en vraag Hem om Zijn hart voor de kerk in jou te leggen.